Rb: medisch causaal verband tussen klachten en werkzaamheden bij werkgever is niet komen vast te staan, vordering afgewezen

Samenvatting:

Werknemer heeft werkgever aansprakelijk gesteld voor rugklachten door werkzaamheden bii rijden met vrachtwagen. In eerder tussenvonnis heeft de kantonrechter overwogen dat het aan werknemer (eiser) is om bewijs te leveren van het causaal verband tussen zijn klachten en het ongeval en/of de door hem bij werkgever verrichte werkzaamheden. Hiertoe is een deskundigenonderzoek door een arbeidsdeskundige en orthopedisch chirurg bevolen. De kantonrechter oordeelt op basis van de deskundigenberichten dat het medisch causaal verband tussen de klachten van eiser en het ongeval en/of de werkzaamheden niet met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan, zodat niet kan worden geconcludeerd dat de klachten zijn veroorzaakt tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden. Aan een beoordeling of de werkgever is tekortgeschoten in de nakoming van haar zorgplicht wordt daarom niet toegekomen.

 

 

ECLI:NL:RBROT:2021:4636, Rechtbank Rotterdam, 6378101 CV EXPL 17-35426 (rechtspraak.nl)

ECLI:NL:RBROT:2021:4636

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak

02-04-2021

Datum publicatie

28-05-2021

Zaaknummer

6378101 CV EXPL 17-35426

Rechtsgebieden

Arbeidsrecht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

Werkgeversaansprakelijkheid. Deskundigenonderzoek. Bewijs causaal verband tussen werkzaamheden en klachten niet geleverd.

 

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6378101 CV EXPL 17-35426

 

uitspraak: 2 april 2021

 

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

 

in de zaak van

 

[eiser] ,

 

wonende te [woonplaats eiser],

 

eiser,

 

procederend in persoon,

 

tegen

 

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

 

Peinemann Hoogwerksystemen B.V.,

 

gevestigd te Hoogvliet (Rotterdam),

 

gedaagde,

 

gemachtigde: mrs. H.M. Kruitwagen en N.M. Brouwer.

 

Partijen worden hierna aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘Peinemann’.

 

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1

Het verdere verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen:

 

het tussenvonnis van 14 september 2018;

 

het vonnis van 26 oktober 2018 houdende een verbetering van het vonnis van 13 april 2018;

 

het deskundigenrapport van arbeidsdeskundige [naam 1] van 17 april 2019;

 

het deskundigenrapport van orthopedisch chirurg [naam 2] van 19 november 2019;

 

de conclusie na deskundigenberichten van [eiser] van 14 februari 2020;

 

de antwoordconclusie na deskundigenberichten van Peinemann, met producties;

 

het tussenvonnis van 26 juni 2020 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

 

de brief van [eiser] gedateerd 1 oktober 2020, met nadere producties;

 

de ter griffie op 9 oktober 2020 ingekomen brief van mr. Brouwer, met nadere productie.

 

1.2

Op 12 oktober 2020 heeft een nadere mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiser] is verschenen. Namens Peinemann waren bij de zitting aanwezig [naam 3], [naam 4] en [naam 5], bijgestaan door mr. N.M. Brouwer. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen tijdens de zitting naar voren hebben gebracht.

 

1.3

De kantonrechter heeft de datum voor de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.

 

2.De vaststaande feiten

2.1

Verwezen wordt naar de tussenvonnissen van 13 april 2018 en 14 september 2018. De kantonrechter blijft bij hetgeen hierin is overwogen en beslist.

 

2.2

In het tussenvonnis van 13 april 2018 heeft de kantonrechter overwogen dat het aan [eiser] is om bewijs te leveren van het causaal verband tussen zijn klachten en het ongeval op 2 juni 2010 en/of tussen zijn klachten en de door hem bij Peinemann verrichte werkzaamheden. De kantonrechter heeft in dat kader een (medisch) deskundig onderzoek noodzakelijk geacht. Bij tussenvonnis van 14 september 2018 heeft de kantonrechter een deskundigenonderzoek bevolen en aan [naam 1], gecertificeerd register arbeidsdeskundige, (hierna ‘[naam 1]’) en [naam 2], orthopedisch chirurg, (hierna: ‘[naam 2]’) opgedragen te berichten omtrent de in dat tussenvonnis geformuleerde vragen.

 

2.3

Aan [naam 1] is – kort gezegd – gevraagd onderzoek te doen naar de door [eiser] verrichte werkzaamheden en de rugbelastende werking daarvan. [naam 1] vermeldt in zijn rapportage onder meer – voor zover hier van belang – :

 

“(…) Bij het rijden met de vrachtwagen gaat het om een statische belasting van de rug waarbij tot maximaal 4,5 uur aaneengesloten kon worden gereden op basis van de rijtijdenwetgeving. Afhankelijk van de te rijden afstand werd meerdere malen per dag in en uit de vrachtwagen geklommen. Ongeveer de helft van de werktijd is gemoeid met laden en/of lossen waarvan per

 

aflevering 0,5 tot 1 uur sprake is. Met name de werkzaamheden bij het laden en lossen, waarbij afwisselend staan, lopen en op- en afklimmen van de oplegger voorkomen, zijn fysiek belastend door het vele buigen, aannemen van een gebogen/getordeerde houding en het duwen en trekken bij het vastzetten van de machines met spanbanden.

 

Verder was er sprake van tillen en dragen van gasflessen, maar dat was beperkt tot circa 45 kg toen er nog sprake was van zwaardere gasflessen. Volgens de werkgever was hiervan echter maar sprake bij een klein aantal machines, bij ongeveer 20-25%. Het tillen kwam in dat geval vooral voor op locatie als daar tilhulpmiddelen ontbraken.(…)”

 

(…)

 

Wat betreft de periode waarin rijplaten werden vervoerd naar en geleverd aan klanten heb ik niet de exacte periode kunnen achterhalen. Betrokkene en Peinemann spreken elkaar hierin tegen. Verder wordt over de hoogte van de laadvloer van de oplegger gesproken over zowel 60 cm als 80 cm. Ook hierin spreken betrokkene en Peinnemann elkaar tegen. Daarom ga ik vooralsnog ervan uit dat beide hoogten bestaan.”

 

(…)

 

Zoals aangegeven bij vraag 3 is er geen duidelijkheid over de periode waarin de rijplaten vervoerd werden. Betrokkene meldt een periode vanaf aanvang dienstverband tot september 2005. De werkgever heeft het echter over een periode van slechts 4-6 maanden, waarna het vervoer gestopt is. Verder was er sprake van tillen en dragen van zwaardere gasflessen. Overigens is volgens de werkgever het te tillen gewicht inmiddels aangepast aan de arbo-normen en weegt een volle gasfles maximaal ongeveer 23 kg. Naar de mening van de werkgever kwam het tillen van gasflessen slechts incidenteel voor.”

 

2.4

Aan [naam 2] is – kort gezegd – gevraagd een oordeel te geven over de vraag of sprake is van een causaal verband tussen het ongeval en/of de werkzaamheden en de rugklachten van [eiser]. [naam 2] heeft het medisch dossier van [eiser] opgevraagd en bestudeerd, eigen onderzoek gedaan en tevens beeldvormend onderzoek (mri) laten verrichten. Het rapport van [naam 2] vermeldt onder meer – voor zover hier van belang – het volgende:

 

“ VI. OVERWEGINGEN:

 

(…)

 

Klachten

 

Betrokkene heeft tot ongeval op 02.06.2010 zwaar lichamelijk werk gedaan in zijn functie als

 

chauffeur dieplader, gelet op het ziekteverhaal, de beschikbare functiebeschrijvingen en de correspondentie. De poging om handmatig met een gedraaid bovenlichaam de terugvallende lepel af te wenden ging gepaard met een zijwaartse beweging naar rechts. Tijdens het opvangen voelde betrokkene even een heftige pijnscheut laag in de rug. Bij röntgenonderzoek werd slijtage gevonden ter hoogte van de wervels en tussen wervelschijf L5 en S1. De klachten daarna van stijfheid bij bukken en pijn in de rug (…) passen bij een verminderde belastbaarheid van de rug, mogelijk als gevolg van de spondylartrose L5- S1. (…) De relaties tussen het ongeval, de degeneratieve afwijkingen in de lumbale wervelkolom en de aangegeven rugpijn zijn niet gemakkelijk te duiden. Hetzelfde geldt voor de relatie tussen deze degeneratieve rugafwijkingen en zwaar lichamelijke arbeid.

 

(…)

 

Rugklachten

 

In het algemeen kunnen lage rugklachten gespecificeerd worden in specifieke en aspecifieke

 

rugklachten (…).

 

(…)

 

Aspecifieke lage rugklachten die bij 85-95% van de patiënten met rugklachten voorkomen. Voor

 

deze rugklachten is nog steeds geen goede verklaring te vinden. Mensen met lichamelijk zware beroepen, andere fysieke of mentale problemen, rokers en mensen met overgewicht lopen het grootste risico op lage rugpijn. (…) Aspecifieke lage rugpijn wordt algemeen gezien als een complex probleem waar veel factoren kunnen bijdragen tot de pijn en invaliditeit inclusief psycho-sociale factoren en de aanwezigheid van andere ziektes.

 

Rugklachten van betrokkene

 

De klachten van betrokkene passen het beste bij de diagnose: aspecifieke lage rugklachten. Om de vragen te kunnen beantwoorden is een literatuurstudie verricht om te zien of en in hoeverre bij de huidige stand van de wetenschap er relaties kunnen worden gelegd tussen

 

  1. de aspecifieke lage rugpijn van betrokkene, het ongeval en de gevonden degeneratieve

 

lumbale afwijkingen.

 

  1. de aspecifieke lage rugpijn en/of de degeneratieve rug afwijkingen en het verrichten van

 

de vroegere zware lichamelijke arbeid.

 

A1: aspecifieke lage rugpijn van betrokkene en het ongeval

 

Bij het opvangen van de lepel stond betrokkene volgens de huidige anamnese, met zijn

 

lichaam gedraaid en maakte hij een snelle ontwijkende beweging naar rechts waarbij hij een

 

felle pijnscheut voelde ontstaan laag in de rug ter hoogte van de bij röntgenonderzoek gevonden degeneratieve afwijkingen op het niveau L5-S1. Het is lastig om vast te stellen waardoor deze klachten zijn begonnen omdat de gebeurtenissen tijdens het ongeval niet geheel duidelijk zijn, en er bij beeldvorming geen duidelijke traumatische afwijkingen zijn vast te stellen. Erkend wordt wel dat een trauma kan leiden tot aspecifieke lage rugklachten maar daarnaast kunnen ook andere factoren een rol spelen in het ontstaan en onderhouden van chronische rugpijn. Naast een trauma kunnen ook degeneratie, veroudering, infecties, systeemziektes zoals diabetes, overgewicht, genetische factoren en mechanische overbelasting aspecifieke rugklachten veroorzaken. (…)

 

Samenvatting:

 

Het vaststellen van de relatie tussen een ongeval en aspecifieke lage rugklachten bij afwezigheid van aantoonbare traumatische afwijkingen bij beeldvorming blijft dus lastig door gebrek aan goede diagnostische middelen om de oorzaak van de pijn en de mogelijke schade door het ongeval vast te kunnen stellen.

 

A2: Lage rugpijn en degeneratieve lumbale afwijkingen

 

Bij betrokkene laat beeldvorming van de lumbale wervelkolom een afnemende discushoogte op L5-S1 zien als teken van degeneratie: de lumbar disc disease. Bij 40-80% van volwassenen na de leeftijd van 30 jaar blijkt de discus te degenereren zonder rugpijn. De meeste mensen met discusgeneratie hebben dus geen klachten. Ook betrokkene had voor het ongeval geen last terwijl de degeneratieve afwijkingen toen al wel bestonden. (…) Recent is er bij klinisch onderzoek wèl een significante relatie gerapporteerd tussen discusdegeneratie en chronische lage rugpijn.

 

(…) Het blijft dus onduidelijk waarom de een met bovengenoemde degeneratieve rug afwijkingen wel rugklachten en de ander geen rugklachten krijgt. (…) Een trauma kan een degeneratieve rug zwaar overbelasten waardoor er rugpijn ontstaat.

 

Samenvatting

 

Bovengenoemde rapporten over de relatie tussen rugpijn en degeneratieve afwijkingen komen met tegenstrijdige informatie waardoor de beoordeling van deze relatie, zeker in een individueel geval lastig blijft.

 

B1: Lage rugpijn en zware lichamelijke arbeid.

 

(…) Betrokkene heeft zwaar lichamelijk werk verricht door het tillen van zware materialen en

 

door trillingen bij rijden op vrachtwagens en heftrucks. In sommige studies vond men bewijs dat deze activiteiten leiden tot het ontstaan van lage rugklachten. In 2011 concludeerden anderen dat deze relatie niet te vinden was wat een stevig debat uitlokte. In 2014 werd na meta-analyses geschat dat het tillen van gewichten van meer dan 25 kg in een frequentie van meer dan 25 maal per dag de jaarlijkse incidentie van lage rugklachten met respectievelijk 4,3% en 3,5% doet stijgen. De National Institute of Occupational Safety and Health (NIOSH) in de USA heeft een meetmethode/formule ontwikkeld om het risico te bepalen van het tillen van een bepaald gewicht tot een maximum van 23 kg maar validatiestudies van deze methode lijken nog te ontbreken.

 

Samenvatting

 

Betrokkene heeft zwaar lichamelijk arbeid verricht maar de relatie tussen deze arbeid en het ontstaan van rugpijn staat nog steeds ter discussie. Even lastig blijkt het om de relatie tussen degeneratieve rugafwijkingen en zwaar lichamelijke arbeid vast te stellen.

 

B2: Degeneratieve rugafwijkingen en zware lichamelijke arbeid.

 

Er bestaat conflicterend bewijs voor de relatie zwaar lichamelijk arbeid, degeneratieve afwijkingen en chronische rugklachten.(…)

 

B3: Mogelijke relaties tussen discusdegeneratie en zware lichamelijke arbeid

 

Discusdegeneratie kan door veroudering, maar ook door een trauma, infecties, ziektes als diabetes, overgewicht en genetische factoren ontstaan. Bij betrokkene bestond de discusdegeneratie al tijdens het ongeval. Mechanische overbelasting is erkend als een belangrijke factor in het ontstaan en progressie van discusdegeneratie.

 

(…)

 

Samenvatting

 

Dierexperimenteel onderzoek laat zien dat een voortdurende dynamische en statische

 

overbelasting de discus (…) zodanig kan beschadigen onder laboratoriumcondities dat er

 

klinische problemen zoals een HNP en discusdegeneratie zouden kunnen ontstaan. Andere

 

factoren zoals erfelijkheid en overgewicht lijken eveneens een belangrijke rol te spelen

 

waardoor het bewijs voor relaties tussen zwaar lichamelijk arbeid, degeneratieve

 

afwijkingen en chronische rugklachten nog steeds conflicterend en onduidelijk is maar er komen steeds meer aanwijzingen dat er wel degelijk een relatie bestaat tussen discusdegeneratie en chronische lage rugpijn. (…)

 

2.4.1

De vraag hoe waarschijnlijk het is dat de rugklachten zijn ontstaan door het ongeval op 2 juni 2010 heeft [naam 2] – voor zover hier van belang – als volgt beantwoord:

 

“ (…) Betrokkene heeft aspecifieke lage rugklachten. Omdat de gebeurtenissen tijdens het ongeval niet geheel duidelijk zijn, en beeldvorming geen duidelijke traumatische afwijkingen toont, lijkt het lastig om vast te stellen waardoor deze klachten zijn begonnen. Erkend wordt dat een trauma of mechanische overbelasting kan leiden tot chronische rugpijn naast andere factoren.(…) Daarnaast zijn er degeneratieve afwijkingen laag in de rug op het niveau L5-S1. Ook deze afwijkingen worden erkend als een potentiële bron van chronische rugpijn. Het is zeer waarschijnlijk dat betrokkene de rugklachten heeft gekregen door mechanische overbelasting van de rug door het tegenhouden van de vallende lepel ten tijde van het ongeval. Dat er voor het ongeval geen klachten waren ondanks de gevonden degeneratieve afwijkingen op het niveau L5-S1 is goed mogelijk omdat dergelijke afwijkingen kunnen bestaan zonder klachten.(…) Bij betrokkene is er onmiddellijk pijn ontstaan bij een ongeval ter hoogte van de degeneratieve afwijkingen. Dit lijkt dus ongeval gerelateerd. Een trauma of overbelasting van de rug wordt erkend als een oorzaak voor chronische lage rugklachten. Daarnaast wordt ook een discusdegeneratie zoals bij betrokkene erkend als een potentiële bron van chronische rugpijn. Het idee dat deze lage rugpijn ook zonder het ongeval op die dag en op dat tijdstip zou zijn ontstaan, lijkt veel minder waarschijnlijk.

 

(…)

 

Bovenstaande bevindingen in de literatuur maken ondanks alle controversies een relatie tussen het ongeval en rugpijn meer waarschijnlijk dan het tegenovergestelde: nl dat de rugpijn bij toeval op die dag en tijdstip los van het ongeval zou zijn ontstaan door bijvoorbeeld degeneratie of een andere risicofactor alleen. Het blijft een hypothese. Naast een trauma kunnen ook degeneratie, veroudering, infecties, systeemziektes zoals diabetes, overgewicht, genetische factoren en mechanische overbelasting aspecifieke rugklachten veroorzaken. Ook zware lichamelijke arbeid en het bestaan van andere ziektes kunnen als een risicofactor voor lage rugpijn worden gezien. Betrokkene heeft aspecifieke rugklachten waarvan de oorzaak en de bron(nen) van pijn niet kunnen worden aangegeven. Men kan alleen zeggen dat betrokkene een verhoogd risico had en heeft op aspecifieke rugpijn zonder het tijdstip van optreden, beloop en mate te kunnen voorspellen. Diagnostiek om deze stelling te onderbouwen bestaat niet. Het tegendeel dat het ongeval er niets mee te maken heeft, lijkt veel minder overtuigend.

 

(…)”

 

2.4.2

De vraag of [eiser] de vastgestelde klachten ook zou hebben gekregen als het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden, beantwoordt [naam 2] – voor zover hier van belang – als volgt:

 

“(…) Deze vraag of betrokkene de vastgestelde klachten of symptomen zou hebben gekregen als het ongeval niet zou hebben plaats gevonden is moeilijk te beantwoorden omdat er in de literatuur geen natuurlijk beloop van degeneratieve afwijkingen en begin van eventuele pijn in de wervelkolom

 

bekend is. (…) Bij betrokkene zijn de degeneratieve afwijkingen in de wervelkolom sinds 2010 nauwelijks toegenomen terwijl de pijn constant aanwezig is gebleven sinds het ongeval. (…) Het meest waarschijnlijke is dat de bron van pijn de discusdegeneratie L5-S1 is conform de bevindingen in de literatuur maar dit is niet te bewijzen uit gebrek aan diagnostische middelen. Of deze discusdegeneratie uiteindelijk ook zonder ongeval pijnklachten zou hebben gegeven, is lastig te beantwoorden omdat niet zeker is of deze discus de bron van de pijn is. (…) Dit alles maakt het erg lastig om te voorspellen of betrokkene zonder ongeval ook lage rugklachten zou hebben gekregen. Wel is het zo dat betrokkene gelet op factoren als discusdegeneratie, zwaar lichamelijk arbeid,

 

overgewicht in combinatie met het bestaan van perifeer vaatlijden, een verhoogd risico heeft op lage rugpijn. Hierdoor kan gezegd worden dat ook zonder het ongeval het risico op lage rugpijn was verhoogd. Of en wanneer de lage rugpijn uiteindelijk zou zijn ontstaan, is niet in te schatten op basis

 

van de huidige wetenschap. Een waarschijnlijkheidspercentage is moeilijk te geven omdat zovele (ook onbekende) factoren een rol spelen in het ontstaan van rugpijn.

 

2.4.3

De vraag op welke termijn [eiser] de vastgestelde klachten zou hebben gekregen als het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden, heeft [naam 2] – voor zover hier van belang – als volgt beantwoord:

 

“(…)Naast een trauma kunnen ook degeneratie, veroudering, infecties, systeemziektes zoals diabetes, overgewicht, genetische factoren en mechanische overbelasting aspecifieke rugklachten veroorzaken. Ook zware lichamelijke arbeid en het bestaan van andere ziektes kunnen als een risicofactor voor lage rugpijn worden gezien. Betrokkene heeft aspecifieke rugklachten waarvan de oorzaak en de bron(nen) van pijn niet kunnen worden aangegeven. Men kan alleen zeggen dat betrokkene een verhoogd risico had en heeft op aspecifieke rugpijn zonder het tijdstip, beloop en mate te kunnen voorspellen.

 

2.4.4

De vraag hoe waarschijnlijk het is dat [eiser] de klachten heeft gekregen als gevolg van het verrichten van de werkzaamheden bij Peinemann heeft [naam 2] – voor zover hier van belang – als volgt beantwoord:

 

“(…) Kortom: Dierexperimenteel onderzoek laat zien dat een voortdurende dynamische en statische overbelasting de discus (…) zodanig kan beschadigen onder laboratoriumcondities dat er klinische problemen zoals een HNP en discusdegeneratie zouden kunnen ontstaan. Andere factoren zoals erfelijkheid en overgewicht lijken eveneens een belangrijke rol te spelen waardoor het bewijs voor relaties tussen zwaar lichamelijk arbeid, degeneratieve afwijkingen en chronische rugklachten nog steeds conflicterend en onduidelijk is. Ik kan daarom deze vraag niet goed beantwoorden. Wel komen er steeds meer aanwijzingen dat er wel degelijk een relatie bestaat tussen discusdegeneratie en chronische lage rugpijnen maar de correlatie tussen lichamelijk arbeid en overbelasting blijkt dierexperimenteel wel aantoonbaar maar in de klinische praktijk (nog?) niet. (…)”

 

2.5

Partijen hebben gereageerd op de deskundigenberichten. [eiser] heeft in reactie op het rapport van [naam 1] aangevoerd dat hij zich kan verenigen met het concept rapport maar dat hij het bezwaar heeft tegen het definitieve rapport omdat daarin volgens hem – naar aanleiding van opmerkingen van Peinemann – tegenstrijdige conclusies zijn getrokken bij de beantwoording van vragen 2, 3 en 4. Uit de reactie van Peinemann op het rapport van [naam 1] blijkt dat zij zich met de inhoud hiervan in grote lijnen kan verenigen. Peinemann heeft aangevoerd dat uit dit rapport blijkt dat partijen het oneens blijven over de periode en de frequentie van de door [eiser] verrichte tilwerkzaamheden (van rijplaten en gasflessen). [naam 1] heeft vastgesteld dat de werkzaamheden die [eiser] moest uitvoeren, met name de werkzaamheden bij het laden en/of lossen van de heftrucks, lichamelijke inspanning vergden, maar een normoverschrijding is door [naam 1] niet gerapporteerd. Er is dus geen sprake geweest van voor de gezondheid gevaarlijke (normoverschrijdend rugbelastende) werkomstandigheden, aldus Peinemann.

 

2.6

De kantonrechter stelt vast dat uit het rapport van [naam 1] kan worden afgeleid dat er geen eenduidige conclusie kan worden getrokken over de door [naam 1] verrichte werkzaamheden en de rugbelastende werking daarvan. Dat heeft te maken met de omstandigheid dat tussen partijen discussie blijft bestaan over de periode en de frequentie waarin sprake is geweest van het tillen van rijplaten en gasflessen. [naam 1] heeft in zijn rapport zowel de visie van Peinemann als die van [eiser] weergegeven. Naar het oordeel van de kantonrechter kan deze discussie tussen partijen in het midden blijven. Want ook indien wordt uitgegaan van de juistheid van de stellingen van [eiser] – wat [naam 2] overigens ook lijkt te hebben gedaan – is naar het oordeel van de kantonrechter niet met voldoende mate van zekerheid komen vast te staan dat er een causaal verband is tussen de klachten van [eiser] en de door hem verrichte werkzaamheden. Dit zal hierna worden toegelicht.

 

2.7

Met betrekking tot het deskundigenbericht van [naam 2] heeft [eiser] aangegeven zich met de inhoud hiervan te kunnen verenigen. Peinemann heeft bezwaren geuit tegen het rapport van [naam 2]. Allereerst heeft Peinemann bezwaar tegen de wijze waarop dit rapport tot stand is gekomen. Volgens Peinemann is er meermaals rechtstreeks contact geweest tussen [eiser] en [naam 2], zonder dat Peinemann daarbij betrokken is geweest of daarvan op de hoogte was. Dat doet afbreuk aan de betrouwbaarheid van het rapport, zo stelt Peinemann. Voorts heeft Peinemann zich op het standpunt gesteld dat de door [naam 2] getrokken conclusie over het causaal verband tussen het ongeval en de klachten onbegrijpelijk en onjuist is. Peinemann heeft in dat verband een rapport van medisch adviseur [naam 6] van 8 oktober 2019 in het geding gebracht, die daarin heeft gereageerd op het conceptrapport van [naam 2] en de door hem getrokken conclusie(s).

 

2.8

De kantonrechter overweegt het volgende. Uit het onderzoek van [naam 2] kan worden afgeleid dat [eiser] verschillende aandoeningen en klachten presenteert. Uit het rapport volgt dat een groot deel van de aandoeningen zonder meer los staat van het werken bij Peinemann. De klachten in lies, heupen, linker bovenbeen en dove plekken in het been hebben volgens [naam 2] ook geen relatie met het werk maar zijn toe te schrijven aan perifeer vaatlijden. [naam 2] heeft vastgesteld dat de rugklachten van [eiser] zijn te kwalificeren als aspecifieke lage rugklachten. In zijn overwegingen beschrijft [naam 2] onder verwijzing naar literatuur en wetenschappelijk onderzoek aspecifieke lage rugpijn als een complex probleem dat door tal van factoren kan worden veroorzaakt. [naam 2] overweegt dat het lastig is om vast te stellen waardoor de rugklachten van [eiser] zijn begonnen omdat de gebeurtenissen tijdens het ongeval niet geheel duidelijk zijn, en er bij beeldvorming geen duidelijke traumatische afwijkingen zijn vast te stellen. [naam 2] overweegt dat een trauma kan leiden tot aspecifieke lage rugklachten maar dat daarnaast ook andere factoren een rol kunnen spelen in het ontstaan en onderhouden van chronische rugpijn. Naast een trauma kunnen ook degeneratie, veroudering, infecties, systeemziektes zoals diabetes, overgewicht, genetische factoren en mechanische overbelasting aspecifieke rugklachten veroorzaken, aldus [naam 2]. [naam 2] herhaalt vervolgens een aantal keer dat de oorzaak en bron(nen) van pijn van de aspecifieke rugklachten van [eiser] niet kunnen worden aangegeven. De vraag of de rugklachten ook zonder ongeval zouden zijn ontstaan is volgens [naam 2] moeilijk te beantwoorden. [naam 2] geeft aan dat [eiser] gelet op factoren als discusdegeneratie, zwaar lichamelijke arbeid, overgewicht in combinatie met het bestaan van perifeer vaatlijden, een verhoogd risico had op het krijgen van lage rugpijn zonder het tijdstip, beloop en mate te kunnen voorspellen.

 

2.9

[naam 2] concludeert niettemin dat het zeer waarschijnlijk is dat de rugklachten van [eiser] door het ongeval zijn veroorzaakt, met daarbij weliswaar de kanttekening dat het een hypothese blijft. Met Peinemann is de kantonrechter van oordeel dat deze conclusie [naam 2] moeilijk te begrijpen is, gelet op de omstandigheid dat [naam 2] in zijn uitgebreide overwegingen maar ook in zijn beantwoording van deze specifieke vraag herhaaldelijk heeft overwogen dat een oorzaak van de aspecifieke rugklachten van [eiser] niet kan worden gegeven en dat het lastig is om een verband te leggen tussen de rugklachten en het ongeval, nu de toedracht van het ongeval niet helemaal duidelijk is en medische beeldvorming geen traumatische afwijkingen toont. Daarbij heeft [naam 2] ook herhaaldelijk overwogen dat de aspecifieke rugklachten van [eiser] kunnen worden veroorzaakt door meerdere factoren zoals degeneratie, veroudering, infecties, systeemziektes zoals diabetes, overgewicht, genetische factoren en mechanische overbelasting. Zoals door Peinemann onweersproken is aangevoerd kan uit het rapport van [naam 2] worden afgeleid dat bij [eiser] meerdere van deze factoren aanwezig waren, namelijk degeneratie, veroudering, overgewicht, diabetes en perifeer vaatlijden. Van belang is verder dat [naam 2] heeft aangegeven dat [eiser] vanwege de degeneratieve afwijkingen, zwaar lichamelijke arbeid, overgewicht en perifeer vaatlijden al een verhoogd risico had op het krijgen van rugklachten. De kantonrechter is het in het licht van het voorgaande met Peinemann eens dat de enkele omstandigheid dat [eiser] voor het ongeval nog geen rugpijn presenteerde en een trauma een mogelijke oorzaak kán zijn, onvoldoende is om met voldoende mate van zekerheid te kunnen concluderen dat de rugklachten door het ongeval zijn veroorzaakt. In dat verband wordt naast het voorgaande sterk belang gehecht aan de opmerking van [naam 2] dat het een hypothese blijft en dat er geen diagnostiek bestaat om deze stelling te onderbouwen.

 

2.10

De kantonrechter acht deze conclusie van [naam 2] in het licht van zijn eerdere overwegingen daarom onvoldoende overtuigend en daarmee ontoereikend om met voldoende mate van zekerheid een medisch causaal verband tussen het ongeval en de rugklachten van [eiser] te kunnen aannemen.

 

2.11

In antwoord op de vraag hoe waarschijnlijk het is dat de klachten van [eiser] zijn ontstaan door het verrichten van de werkzaamheden bij Peinemann heeft [naam 2] aangegeven dat hij deze vraag niet goed kan beantwoorden. [naam 2] overweegt dat andere factoren zoals erfelijkheid en overgewicht ook een belangrijke rol lijken te spelen waardoor het bewijs voor relaties tussen zwaar lichamelijk arbeid, degeneratieve afwijkingen en chronische rugklachten nog steeds conflicterend en onduidelijk is. Met Peinemann is de kantonrechter van oordeel dat hieruit volgt dat ook niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de rugklachten van [eiser] zijn veroorzaakt door de door hem verrichte werkzaamheden.

 

2.12

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het medisch causaal verband tussen de klachten van [eiser] en het ongeval en/of de werkzaamheden bij Peinemann niet met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan, zodat niet kan worden geconcludeerd dat de klachten van [eiser] zijn veroorzaakt tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden bij Peinemann. Aan een beoordeling van de vervolgvraag of Peinemann is tekortgeschoten in de nakoming van haar zorgplicht wordt daarom niet toegekomen.

 

2.13

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen hoeven de door Peinemann geuite bezwaren ten aanzien van de totstandkoming van het rapport van [naam 2] niet meer te worden besproken.

 

2.14

De slotsom is dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.

 

2.15

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, waaronder de kosten van de deskundigenonderzoeken, zijnde € 13.158,39 inclusief btw voor het onderzoek van [naam 2] en € 4.779,50 inclusief btw voor het onderzoek van [naam 1], welke bedragen door [eiser] reeds bij wijze van voorschot zijn voldaan. De proceskosten aan de zijde van Peinemann worden tot op heden vastgesteld op

 

€ 1.120,50 aan salaris voor de gemachtigde van Peinemann (4,5 punt maal tarief € 249,-).

 

3.De beslissing

De kantonrechter,

 

wijst de vorderingen van [eiser] af;

 

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Peinemann tot op heden vastgesteld op € 1.120,50 aan salaris gemachtigde (4,5 punten maal tarief € 249,-);

 

verklaart dit vonnis ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

 

34650

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey