Rb: opzettelijk misleiding door slachtoffer over beperkingen, terechte registratie in EVR

Samenvatting:

Whiplash. Eiser stelt door psychische klachten en hoofdpijn arbeidsongeschikt te zijn na ongeval en vordert betaling van ruim € 67.000, – en verwijdering uit EVR. 1. De rechtbank oordeelt dat eiser niet heeft aangetoond dat hij zodanig beperkt was dat hij volledig a.o. was. 2. Opzettelijke misleiding. De rechtbank stelt voorop dat de verzekeraar er op moet kunnen vertrouwen dat een benadeelde die een schadevergoeding wil ontvangen uit zichzelf naar waarheid de informatie verschaft. De rechtbank is van oordeel dat voldoende en overtuigend vast is komen te staan dat eiser met het verstrekken van de onjuiste informatie over zijn mogelijkheden tot autorijden (veel kilometers gereden, terwijl hij stelde beperkt te zijn in autorijden) de bedoeling heeft gehad een onjuiste beeld te geven van zijn beperkingen en daarmee verzekeraar te bewegen tot het verstrekken van een hogere schade-uitkering dan waar hij recht op heeft. Het belang van de opname van eiser in het EVR weegt naar het oordeel van de rechtbank zwaarder dan de nadelige gevolgen voor hem. Eiser heeft opzettelijk onjuiste informatie verschaft en daarin volhardt nadat verzekeraar hierover heeft doorgevraagd.

 

 

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/501516 / HA ZA 20-264

Vonnis van 20 januari 2021 in de zaak van

 

[EISER], wonende te [woonplaats] ,

[WOONPLAATS],

advocaat mr. J.L.J. van Apeldoorn,

 

tegen

 

de naamloze vennootschap

ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. H. van Katwijk.

Partijen zullen hierna [EISER] en ASR genoemd worden.

  • De procedure

1.1.        [EISER] heeft met een dagvaarding met producties een vordering ingesteld tegen

ASR. ASR heeft met een conclusie van antwoord met producties verweer gevoerd. De mondelinge behandeling vond plaats op 3 december 2020. Partijen zijn daar verschenen, bijgestaan door hun advocaat. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.

1.2.        Daarna volgt dit vonnis.

  1. Het geschil

2.1.        [EISER] is op 13 augustus 2016 als bestuurder van zijn auto betrokken geweest bij

een verkeersongeval op de rijksweg A2. Uit het politierapport over het ongeval blijkt dat de bestuurder van de andere auto, bij een manoeuvre van de middelste rijbaan naar de rechter rijbaan, de auto van [EISER] in de flank heeft geraakt. Beide voertuigen hebben schade opgelopen. De auto die [EISER] heeft aangereden was voor de WAM verzekerd bij ASR. ASR heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend.

 

 

C1161501516 / HA ZA 20-264                                                                                                                           2

20 januari 2021

2.2.           Na het ongeval heeft [EISER] de huisarts bezocht. Bij nader onderzoek door de

neuroloog zijn geen afwijkingen geconstateerd. De huisarts heeft [EISER] verwezen naar een fysiotherapeut en naar de praktijkondersteuner GGZ van de huisarts. [EISER] heeft fysiotherapie gehad en een multidisciplinair behandelingstraject gevolgd bij Winnock gevolgd.

2.3.           In het kader van de afhandeling van de schade heeft (de schaderegelaar van) ASR

[EISER] thuis bezocht op 7 november 2016.

2.4.           ASR heeft € 13.000,00 betaald als voorschot op de letselschade en € 10.935,00

voor buitengerechtelijke kosten. Daarnaast heeft ASR de kosten van de behandeling bij Winnock van € 10.400,00 betaald.

2.5.           Op 10 april 2017 heeft nogmaals een huisbezoek plaatsgevonden omdat ASR op

een aantal punten meer duidelijkheid wilde krijgen.

2.6.           In een brief van 23 juni 2017 heeft ASR aan [EISER] meegedeeld dat haar is

gebleken dat hij bewust een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven om zo een uitkering te krijgen waarop hij geen recht heeft Zij heeft aan hem meegedeeld dat zijn gegevens daarom zijn opgenomen in het interne incidentenregister van ASR en zij heeft [EISER] in de gelegenheid gesteld een reactie geven. Daarna heeft correspondentie plaatsgevonden tussen (de advocaat van) [EISER] en ASR. Bij brief van 17 augustus 2018 heeft ASR aan [EISER] meegedeeld dat zij de onderhandelingen afbreekt en dat de gegevens van [EISER] worden opgenomen het Externe VerwijzingsRegister (EVR) van de Stichting CIS (het Centraal informatiesysteem van de in Nederland werkzame verzekeringsmaatschappijen), voor een periode van achtjaar. Als reden daarvoor vermeldt ASR in deze brief:

Er is sprake van aggravatie dan wel voorwenden van medische klachten en/of beperkingen. U heeft bij herhaling verklaard als gevolg van uw klachten slechts beperkt in staat te zijn tot autorijden, Uit onderzoek is gebleken dat u in de maanden na het ongeval gemiddeld zo’n 1900 km/week reed. U heeft meer kilometers gereden na het ongeval dan u voor ongeval deed. Niet alleen heeft u voorgewend slechts beperkt te kunnen autorijden, ook de door u gestelde klachten die u zouden hinderen bij het autorijden lijken daarmee onaannemelijk. Zeker nu deze medisch niet objectief konden worden vastgesteld.

U verandert na confrontatie met de feiten steeds uw verhaal. U heeft meermaals de kans gehad naar waarheid te verklaren. U blijft echter ontkennen een onjuiste voorstelling van zaken te hebben gegeven en komt met uitleg die door a.s.r. niet anders kan worden gezien als gelegenheidsexcuses nu u geconfronteerd met de feiten toch met een uitleg moest komen.

Er is sprake van een fors financieel belang. Bij e-mail van 7 december 2017 voegt uw belangenbehartiger immers een voorlopige schadeberekening van € 72.454,87

2.7.           In deze procedure vordert [EISER] dat de rechtbank ASR veroordeelt:

– tot betaling van € 67.547,56, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het ongeval,

 

 

C/16/501516/HAZA20-264                                                                                                 3

20 januari 2021

– tot verwijdering van de persoonsgegevens van [EISER] uit het interne incidentenregister en het EVR van de Stichting CIS,

– in de kosten van deze procedure.

2.8.        De grootste schadepost is het verlies aan verdienvermogen. Volgens [EISER] was

hij na het ongeval gedurende 9,5 maand volledig arbeidsongeschikt als gevolg van nekklachten, hoofdpijn en psychische klachten. Hij werkte voor het ongeval als zelfstandig timmerman. Naast zijn vaste opdrachten kluste hij veel (zwart) bij. Volgens [EISER] zou hij als zijn zwarte inkomsten ‘netto’ zouden worden gemaakt een inkomen van gemiddeld € 6.300,–per maand hebben kunnen verdienen. Daarnaast vordert hij medische kosten en € 7.500,– voor immateriële schade. Volgens [EISER] bestond er geen enkele aanleiding om zijn persoonsgegeven te registreren. De maatregel is niet proportioneel. Voor zover hij al onjuiste informatie heeft verstrekt of informatie zou hebben verzwegen gaat het volgens hem alleen om de hoeveelheid gereden kilometers en het niet spontaan melden van geringe gezondheidsklachten enkele maanden voor het ongeval. Hij heeft alle medische informatie verstrekt, zodat de (medisch adviseur van) ASR voldoende inzicht had in zijn gezondheidsklachten.

2.9.        ASR voert verweer.

2.10.      Op de standpunten van partijen zal hierna nader worden ingaan.

  1. De beoordeling

het causaal verband tussen het ongeval en de klachten

3.1.        Vaststaat dat er na het ongeval geen letsel was dat medisch kon worden

vastgesteld. Voor die situatie, waarbij er sprake is van moeilijk te objectiveren klachten, wordt degene die een ongeval is overkomen tegemoet gekomen in het bewijs dat er een causaal verband is tussen zijn klachten en het ongeval. Deze tegemoetkoming in het bewijs brengt echter geen verandering in de hoofdregel van artikel 150 Burgerlijke

Rechtsvordering (Rv) op grond waarvan [EISER] moet bewijzen dat de door hem gestelde schade het gevolg is van het ongeval. Het bestaan van de subjectief beleefde klachten moet objectief vastgesteld kunnen worden. Daarvoor dienen de klachten reëel te zijn, dat wil zeggen niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven en er moet sprake zijn van een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten. Als het bestaan van de klachten op die manier is komen vast te staan, stelt de jurisprudentie weliswaar geen hoge eisen aan het bewijs van het causaal verband tussen het ongeval en de klachten, maar er is wel een minimumeis: de gezondheidsklachten bestonden voor het ongeval niet, de gezondheidsklachten moeten op zich door het ongeval veroorzaakt kunnen worden en er is geen andere verklaring voor deze klachten.

3.2.        Uit het huisartsenjournaal blijkt dat [EISER] kort voor het ongeval tal van klachten

had. Op 15 juni 2016 heeft hij de huisarts bezocht vanwege “collaps” waarna hij wankel was. Verder vermeldt het journaal ernstig zweten, hoofdpijn- braken- en veel stress. Deze klachten zijn naar hun aard vergelijkbaar met de klachten die volgens [EISER] na het ongeval hebben gezorgd voor zijn arbeidsongeschiktheid. Behalve de bij de huisarts genoemde nekklachten, maar deze klachten waren volgens [EISER] snel hersteld. De voortdurende arbeidsongeschiktheid was volgens [EISER] met name het gevolg van de

 

 

C/16/501516/HAZA20-264                                                                                               4

20 januari 2021

psychische problemen en de hoofdpijn. Er is dus niet voldaan aan de hiervoor gestelde minimumeisen om causaal verband aan te nemen omdat de klachten eerder niet bestonden en dat zijn klachten uitsluitend verklaard kunnen worden als gevolg van het ongeval.

3.3.        Bovendien vindt de rechtbank het niet geloofwaardig dat de klachten van [EISER]

zo ernstig waren en hem zo ernstig beperkten als hij tegenover ASR heeft verklaard. Daarbij is met name van belang dat hij enerzijds stelt dat hij door de hoofdpijn én door zijn gevoelens van angst voor autorijden ernstig beperkt was in het autorijden, maar dat uit de door ASR bij de RDW opgevraagde gegevens over de kilometerstand van zijn auto is gebleken dat [EISER] na het ongeval juist uitzonderlijk veel heeft autogereden. In 13 weken heeft hij 25.675 km (1.975 kilometer per week) gereden. Dat is niet te rijmen met zijn mededeling bij het eerste huisbezoek van 7 november 2016 waarbij hij heeft gezegd dat hij alleen een keer in de week naar zijn ouders in Den Haag rijdt en dat hij dan twee uur doet over de rit in plaats van de gebruikelijke anderhalve uur, omdat hij onderweg steeds moet stoppen vanwege migraine aanvallen. Het grote aantal gereden kilometers maakt het ongeloofwaardig dat [EISER] de ernstige psychische klachten heeft (herbeleving van het ongeval, ernstige migraine, slapeloos, angst om op de grote weg te rijden) die hij aan ASR en aan zijn behandelaars heeft gemeld

3.4.        De conclusie is dat [EISER] niet heeft aangetoond dat hij als gevolg van het

ongeval (psychisch) letsel heeft opgelopen als gevolg waarvan hij zodanig beperkt was dat hij (volledig) arbeidsongeschikt was zoals hij stelt. Voor zover [EISER] vanwege de kortdurende nekklachten wel enige tijd minder belastbaar is geweest voor zijn werk is de rechtbank van oordeel dat hij daarvoor ruimschoots is gecompenseerd met het reeds betaalde bedrag van € 13.000,– . Onder deze omstandigheden is er ook geen reden voor een hoger bedrag aan buitengerechtelijke kosten voor rechtsbijstand dan het reeds door ASR betaalde bedrag van € 10.400,–.

3.5.        De rechtbank zal hierna uitleggen dat er ook geen reden is om [EISER] in de

gelegenheid te stellen om nader bewijs te leveren of om medisch deskundige een onderzoek te laten doen naar de gestelde klachten en beperkingen.

opzet te misleiden

3.6.        ASR heeft de onderhandelingen afgebroken en [EISER] opgenomen in haar interne

incidentenregister en EVR omdat [EISER] volgens haar opzettelijk een onjuiste voorstelling heeft gegeven met het doel een schadevergoeding te ontvangen waar hij geen recht op had.

3.7.        Dit blijkt volgens ASR uit het feit dat hij bij het eerste huisbezoek niet heeft

gemeld dat hij voor het ongeval al soortgelijke gezondheidsklachten had en dat hij aangeeft dat hij beperkt is in het autorijden, terwijl is gebleken dat hij juist heel veel auto reed, zelfs meer kilometers dan voor het ongeval. Het is ASR gebleken dat [EISER] nog steeds adverteert op marktplaats. Zij vindt de verklaring van [EISER] dat hij nog zichtbaar wil blijven voor klanten, niet logisch, omdat het zo is dat klanten die op internet zoeken graag willen dat de klus meteen wordt uitgevoerd. Dit blijven adverteren in samenhang met het grote aantal gereden kilometers wijst er volgens ASR op dat [EISER] na het ongeval is blijven werken. [EISER] is volgens ASR niet consistent in zijn verklaringen tegenover haar.

 

 

C1161501516 / HA ZA 20-264                                                                                          5

20 januari 2021

3.8.       Opname in het EVR kan slechts plaatsvinden in overeenstemming met het Protocol

Incidenten-waarschuwingssysteem Financiële Instellingen (hierna: PIFI). Het PIFI is opgesteld door de aangesloten financiële instellingen – waaronder ASR – en is te beschouwen als een regeling die voldoende waarborgen biedt voor een verwerking van persoonsgegevens zoals de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) die voorschrijft. Gelet op de mogelijk verstrekkende gevolgen voor een betrokkene van een registratie in het EVR, worden hoge eisen gesteld aan opname van de persoonsgegevens in het EVR. Er moet een gegronde verdenking van fraude bestaan. Dat houdt in dat sprake moet zijn van een opzet te misleiden

3.9.       De rechtbank stelt voorop dat de verzekeraar er op moet kunnen vertrouwen dat

een benadeelde die een schadevergoeding wil ontvangen uit zichzelf naar waarheid de informatie verschaft waarvan hij redelijkerwijs kan weten dat deze van belang is voor de verzekeraar om de schade te kunnen beoordelen. De benadeelde beschikt over die informatie. Het is inderdaad zo dat [EISER] de informatie van de huisarts aan ASR heeft verstrekt, zodat zij op de hoogte kon zijn van zijn pre-existentiële klachten. Maar toch is het opmerkelijk dat hij, terwijl er bij het huisbezoek uitvoerig is gevraagd naar zijn gezondheidstoestand voorafgaand aan het ongeval, met geen woord heeft gesproken over deze klachten. Indien [EISER] het voordeel van de twijfel wordt gegund zou het zo kunnen zijn dat hij zich werkelijk niet heeft gerealiseerd dat deze informatie van belang was. Dat geldt echter niet voor de informatie over het autorijden. Er is geen enkele geldige reden om hierover niet naar waarheid te verklaren. Het is zeer kwalijk dat [EISER] daarover – zelfs tot twee keer toe – onware informatie heeft gegeven. Door aan te geven dat hij als gevolg van zijn psychische en hoofdpijnklachten nauwelijks in staat was tot autorijden heeft [EISER] opzettelijk een veel ernstiger beeld gegeven van zijn toestand.

3.10.     De rechtbank volgt [EISER] niet in zijn standpunt dat ASR niet bevoegd was om

het aantal gereden kilometers na te gaan. De kilometerstand heeft slechts betrekking op de auto en is niet een persoonsgegeven als bedoeld in de AVG. ASR heeft de informatie verkregen door het raadplegen van het voor haar toegankelijke register van de RDW.

3.11.     ASR had ook voldoende aanleiding voor een nader onderzoek naar [EISER]. De

omstandigheid dat [EISER] na het ongeval is blijven adverteren op marktplaats gaf ASR het vermoeden dat hij na het ongeval is blijven werken. Dit vermoeden werd bevestigd door het grote aantal kilometers dat [EISER] heeft gereden. Toen [EISER] bij het tweede huisbezoek om een verklaring werd gevraagd heeft hij aangegeven dat hij drie tot vier keer per week naar zijn ouders reisde. Zelfs als ervan wordt uitgegaan dat dit juist is, blijft er nog een groot aantal gereden kilometers per week over, waarvoor [EISER] geen plausibele verklaring heeft gegeven. Dit rechtvaardigt de vermoedens van ASR en het doen van nader onderzoek.

3.12.     De rechtbank is van oordeel dat met het voorgaande voldoende en overtuigend vast

is komen te staan dat [EISER] met het verstrekken van de onjuiste informatie over zijn mogelijkheden tot autorijden de bedoeling heeft gehad een onjuiste beeld te geven van zijn beperkingen en daarmee ASR te bewegen tot het verstrekken van een hogere schade­uitkering dan waar hij recht op heeft.

3.13.     Het belang van de opname van [EISER] in het EVR weegt naar het oordeel van de

rechtbank zwaarder dan de nadelige gevolgen voor hem. [EISER] heeft aan ASR opzettelijk onjuiste informatie verschaft en daarin volhardt nadat ASR hierover heeft doorgevraagd.

 

 

C/16/501516 / HA ZA 20-264                                                                                                                              6

20 januari 2021

Deze misleiding heeft geen betrekking op een gering bedrag. [EISER] maakt aanspraak op een hoge schadevergoeding. In deze procedure is gebleken dat de inkomsten van [EISER] voor een heel groot deel bestaan uit zwart werk. [EISER] heeft aan ASR opgegeven dat hij per maand gemiddeld een inkomen heeft van € 4.275,00 bruto en daarnaast met zwart bijklussen € 8.222,00 verdient (zie productie 4 bij de conclusie van antwoord). Over het grootste deel van zijn inkomen droeg [EISER] dus geen belasting af. Uit de reactie van [EISER] ter zitting dat dit heel gebruikelijk is in de branche, blijkt dat hij lichtvaardig denkt over fraude.

3.14.          De conclusie is dat de vorderingen van [EISER] afgewezen moeten worden.

3.15.          [EISER] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden

veroordeeld. De kosten aan de zijde van ASR worden begroot op:

– griffierecht                                        2.042,00

– salaris advocaat                                  2.148,00  (2 punten x tarief  1.074)

Totaal                                       €            4.190500

  1. De beslissing

De rechtbank

4.1.            wijst de vorderingen af,

4.2.            veroordeelt [EISER] in de proceskosten, aan de zijde van ASR tot op heden

begroot op € 4.190,00,

4.3.            veroordeelt [EISER] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan

salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

4.4.            verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P. Killian en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2021.

 

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey