Rb: sport en spel, speler niet aansprakelijk voor bal tegen hoofd toeschouwer tijdens voetbalwedstrijd

Samenvatting:

Gedaagde heeft als verdediger de bal in de stuit over de zijlijn het veld uitgetrapt; eiser is door die bal rechtstreeks hard tegen zijn hoofd getroffen. De rechtbank overweegt dat een wedstrijdsituatie in het algemeen daardoor wordt gekenmerkt dat de deelnemers grotere risico’s nemen dan in het gewone maatschappelijke verkeer gebruikelijk is. Eiser mocht ook als toeschouwer tot op zekere hoogte gevaarzettend gedrag van gedaagde verwachten. Voor zover al geoordeeld moet worden dat gedaagde een verkeerde keuze heeft gemaakt met zijn actie levert dat nog geen gevaarzettend handelen op dat niet meer aangemerkt kan worden als nog passend bij een normale prestatiegerichte wijze van voetballen. Immers, zoals de Hoge Raad heeft overwogen, moeten in het kader van sport of spel tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen – en dus ook mogelijk wat onbesuisde handelingen – worden verwacht. Van onrechtmatig handelen is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake (r.o. 4.8 e.v.).

ECLI:NL:RBROT:2022:2411, Rechtbank Rotterdam, C/10/618131 / HA ZA 21-405 (rechtspraak.nl)

ECLI:NL:RBROT:2022:2411

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak

30-03-2022

Datum publicatie

31-03-2022

Zaaknummer

C/10/618131 / HA ZA 21-405

Rechtsgebieden

Verbintenissenrecht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

Sport en spel. Letselschade. Speler niet aansprakelijk voor schade als gevolg van harde bal tegen het hoofd van toeschouwer bij voetbalwedstrijd. Normale prestatiegerichte manier van voetballen. Risico waarmee toeschouwers rekening moeten houden.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/618131 / HA ZA 21-405

Vonnis van 30 maart 2022

in de zaak van

[naam eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser],

eiser,

advocaat mr. L.M. de Wit te ‘s-Hertogenbosch,

tegen

[naam gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde,

advocaat mr. I.I.P. Cuijpers te ‘s-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna [naam eiser] en [naam gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 19 april 2021, met producties 1 tot en met 9;

de conclusie van antwoord, met producties 1 en 2;

de akte overlegging producties van 29 september 2021 van [naam eiser], met producties 10 tot en met 16;

het ingewilligde verzoek van [naam eiser] tot aanhouding van de mondelinge behandeling op 13 oktober 2021;

de oproepingsbrieven van 5 november 2021 voor de mondelinge behandeling op 10 februari 2021;

de mondelinge behandeling op 10 februari 2022, waar verschenen zijn [naam eiser], bijgestaan door mr. De Wit en mr. J.L Vissers, en [naam gedaagde], bijgestaan door mr. Cuijpers.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.

Op 13 oktober 2018 vond op een veld van Voetbalvereniging [naam voetbalvereniging ] een voetbalwedstrijd plaats tussen [voetbalteam 1] ([voetbalteam 1]) en [voetbalteam 2] ([voetbalteam 2]). De zoon van [naam eiser] speelde toen bij [voetbalteam 1] en [naam gedaagde] speelde toen als aanvoerder en verdediger bij [voetbalteam 2]. [naam eiser] stond toen als toeschouwer met circa twintig anderen langs de zijlijn.

2.2.

Tijdens de eerste helft, toen het 1-0 stond voor [voetbalteam 2], heeft [naam gedaagde] een hoge bal aangenomen om te voorkomen dat een speler van [voetbalteam 1] deze kon bemachtigen. [naam gedaagde] kon de bal onvoldoende controleren en heeft vervolgens de bal in de stuit over de zijlijn het veld uitgetrapt. [naam gedaagde] stond op dat moment in het veld in de omgeving van de middellijn, ongeveer vijf tot tien meter van de zijlijn. [naam eiser] is door die bal rechtstreeks hard tegen zijn hoofd getroffen, op een betonnen plaat gevallen en even buiten bewustzijn geweest (hierna: het ongeval). Een trauma-arts die per helikopter ter plaatse is gekomen heeft eerste hulp verleend, waarna [naam eiser] is overgebracht naar het ziekenhuis.

2.3.

[naam eiser] heeft na het ongeval van 13 oktober tot en met 19 oktober 2018 in het ziekenhuis gelegen.

2.4.

[naam eiser] heeft bij het ongeval onder meer ernstig hoofdletsel en letsel aan zijn rechteroor opgelopen. [naam eiser] is sindsdien doof aan zijn rechteroor en er is tinnitus ontstaan. [naam eiser] heeft verder sinds het ongeval evenwichtsstoornissen, duizeligheid en cognitieve klachten, en hij heeft geen reuk en smaak meer.

2.5.

Mr. Vissers heeft als actief lid van [voetbalteam 1] op haar verzoek onderzoek gedaan naar de toedracht van het ongeval. Op 20 februari 2019 heeft mr. Vissers [naam eiser] per brief het volgende geschreven:

“Afgelopen zaterdag heb ik een aanvang genomen met de getuigenverhoren in dit dossier. Ik heb ervoor gekozen een aantal personen te horen met bepaalde eigenschappen, meer specifiek: een voormalige eerste elftalspeler met meer dan 30 jaar ervaring, een toeschouwer met een scheidsrechterachtergrond, een vrouwelijke toeschouwer met een voetbalachtergrond en een toeschouwer die naast masseur en ex voetballer, leider van de selectie is. In algemene zin leiden de verklaringen tot het volgende beeld:

De speler waar het in casu om gaat, speelde als verdediger en anticipeerde op een diepe bal, zodat een speler van [voetbalteam 1] deze niet kon bemachtigen. De speler waar het in casu om gaat heeft de bal over de [lees: zijlijn] getrapt, waarvan in algemene zin werd opgemerkt dat dit wel een erg harde trap was en dat voor een andere oplossing had gekozen kunnen worden. Dit gebeurde op een afstand van 5 tot 10 meter vanaf de zijlijn en alle getuigen hadden direct het gevoel, dat wanneer deze bal het publiek in zou vliegen dit wel eens tot problemen zou kunnen leiden.

Allen hebben verklaard dat zij geen bewustheid bij de speler in casu hebben geconstateerd bij het uitrappen van de bal, in de zin van het toebrengen van een letsel aan een persoon. Een en ander geschiedde wat onbesuisd, doch van een bewust handelen kan geen sprake zijn geweest.

Ook is verklaard dat de speler in casu verschrikt en oprecht zijn excuses is komen maken aan de zijlijn, terwijl hij tijdens de wedstrijd wel het ‘mannetje’ was. Van agressie of voorbedacht handelen was evenwel geen sprake. (…)”

2.6.

Op 11 april 2019 heeft [naam eiser] [naam gedaagde], zonder resultaat, aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden en te lijden schade als gevolg van het incident.

3.Het geschil

3.1.

[naam eiser] vordert, verkort weergegeven, [naam gedaagde] te veroordelen aan [naam eiser] een vergoeding te betalen voor materiële en immateriële schade en voor buitengerechtelijke incassokosten, tot een bedrag van maximaal € 100.000,00, te vermeerderen met rente en kosten.

3.2.

[naam eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [naam gedaagde] op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aansprakelijk is voor de door hem geleden en nog te lijden materiele en immateriële schade als gevolg van het incident. Hij heeft blijvend letsel opgelopen en kan zijn werk als zelfstandig ondernemer in de reparatie en het onderhoud van boten niet meer naar behoren uitvoeren, vooral omdat hij niet meer ‘op het gehoor’ een diagnose kan stellen van gebreken aan motoren.

3.3.

[naam gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, van [naam eiser] in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum eindvonnis tot de dag van betaling.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.

Partijen zijn het in hoofdlijnen eens over de feitelijk toedracht van het incident, zoals weergegeven onder 2.2. Het geschil spitst zich toe op de vraag of [naam gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [naam eiser].

4.2.

Over de toedracht heeft [naam eiser] bij de mondelinge behandeling verklaard dat hij zich van het ongeval weinig meer kan herinneren.

[naam gedaagde] heeft bij die gelegenheid daarover het volgende verklaard: “Ik weet nog goed dat de bal diep werd gespeeld. Niemand stond achter mij. We stonden rond de middenlijn. Ik nam ‘m aan en schoot ‘m uit. Ik schoot de bal uit, omdat ik dacht dat dat de beste beslissing was om geen balverlies te lijden op een vervelende plek. Je denkt niet na over de manier waarop. Uit is uit, op dat moment.”

4.3.

[naam eiser] stelt dat [naam gedaagde] op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk is omdat hij onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, door zich als speler bewust, opzettelijk en roekeloos te gedragen door een bal met volle snelheid en kracht in het aan de zijlijn opgestelde publiek te trappen. Volgens [naam eiser] had [naam gedaagde] weliswaar niet het oogmerk om hem letsel toe te brengen, maar is er wel sprake van bewust handelen van [naam gedaagde], omdat hij tijdens de wedstrijd de tijd en de mogelijkheid had om een andere keuze te maken dan de bal met volle snelheid en kracht uit te trappen het publiek in.

4.4.

[naam eiser] heeft zijn feitelijke stellingen over de toedracht van het ongeval onderbouwd met de samenvatting van verklaringen zoals aangehaald onder 2.5. [naam eiser] heeft verklaard dat de afzonderlijke verklaringen die daaraan ten grondslag liggen uit privacyoverwegingen niet in het geding worden gebracht. Wel is ten behoeve van de mondelinge behandeling een lijst overgelegd met namen van de personen wiens verklaring volgens opgave van [naam eiser] is verwerkt in die samenvatting.

4.5.

Ervan uitgaande dat die samenvatting adequaat en juist de kern weergeeft van hetgeen de gehoorde personen hebben verklaard, wat [naam gedaagde] en de rechtbank dus niet hebben kunnen toetsen, bevestigt deze dat [naam gedaagde] bij het uitrappen van de bal niet bewust letsel aan een ander heeft toegebracht. Volgens die samenvatting handelde [naam gedaagde] wel wat onbesuisd.

4.6.

[naam gedaagde] betwist dat hij aansprakelijk is voor de door [naam eiser] geleden en te lijden schade als gevolg van het incident. Volgens [naam gedaagde] is sprake van een sport- en spelsituatie en geldt daarom een verhoogde aansprakelijkheidsdrempel, zodat van een onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 BW geen sprake is. Dat [naam eiser] een toeschouwer was en geen medespeler maakt dit niet anders, aldus [naam gedaagde]. [naam eiser] heeft immers vrijwillig gekozen om als toeschouwer langs de zijlijn van het voetbalveld plaats te nemen.

4.7.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.8.

Als uitgangspunt geldt volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat de vraag of een deelnemer aan een sport of spel onrechtmatig heeft gehandeld door een gedraging als gevolg waarvan aan een andere deelnemer letsel is toegebracht, minder spoedig bevestigend moet worden beantwoord, dan wanneer die gedraging niet in een sport- of spelsituatie had plaatsgevonden. De reden daarvan is dat de deelnemers aan die sport of dat spel in redelijkheid tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen waartoe de activiteit uitlokt of die daarin besloten liggen, van elkaar moeten verwachten. (HR 28 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0300 en HR 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2680). Ook bij de vraag of een deelnemer aan een sportactiviteit jegens een toeschouwer aansprakelijk is, is van belang wat een toeschouwer van het gedrag van de deelnemer moet verwachten. Een deelnemer aan een sport is dan ook jegens een toeschouwer pas aansprakelijk, als zijn handelen jegens die toeschouwer een zodanige onzorgvuldigheid oplevert, dat het niet meer geacht kan worden inherent te zijn aan een optimale, prestatiegerichte sportbeoefening, die enerzijds de deelnemer nastreeft, en anderzijds de toeschouwer van hem verlangt.

4.9.

Toepassing van deze regels leidt in deze zaak tot het volgende. Het ongeval vond plaats tijdens de voetbalwedstrijd waaraan [naam gedaagde] deelnam. Een wedstrijdsituatie wordt in het algemeen daardoor gekenmerkt dat de deelnemers grotere risico’s nemen dan in het gewone maatschappelijke verkeer gebruikelijk is. Voetbal is bovendien een contactsport waarbij op het veld duels om de bal plaatsvinden. [naam eiser] kon van [naam gedaagde] verwachten dat hij zich als verdediger zou inzetten om aanvallen van het andere team af te slaan en balbezit van de tegenpartij te voorkomen, en dat hij daarbij tot op zekere hoogte risico’s die men tijdens een voetbalwedstrijd loopt, op de koop toe zou nemen. Dat [naam eiser] niet aan de wedstrijd deelnam, maar toekeek maakt het voorgaande niet anders. Daarbij is van belang dat de aan de wedstrijd inherente risico’s, met name in het kader van aanval en verdediging, voor spektakel zorgen en dat daarin mede de aantrekkingskracht voor de toeschouwer is gelegen.

4.10.

[naam eiser] mocht daarom ook als toeschouwer tot op zekere hoogte gevaarzettend gedrag van [naam gedaagde] verwachten. De vraag is of het incident te wijten is aan een zodanig risicovolle gedraging van [naam gedaagde] dat [naam eiser] daarop binnen de aard van het spel niet bedacht hoefde te zijn. Oftewel, was de wijze waarop [naam gedaagde] aan het spel deelnam nog te beschouwen als een normale prestatiegerichte wijze van voetballen? In dat verband is het volgende van belang.

4.11.

Niet in geschil is dat [naam gedaagde] een hoge bal vanuit het achterveld probeerde te controleren die bestemd was voor één van de aanvallers van [naam voetbalvereniging ]. [naam eiser] heeft niet weersproken dat op het moment dat [naam gedaagde] de bal probeerde te controleren, twee aanvallers van het andere team op de bal kwamen afgerend. Aangenomen moet dus worden dat [naam gedaagde] de bal heeft uitgespeeld om in zijn rol als verdediger balbezit bij de tegenpartij te voorkomen. Namens [naam eiser] is tijdens de mondelinge behandeling op zichzelf erkend dat het uitspelen van de bal in een dergelijke situatie tijdens een voetbalwedstrijd in algemene zin geen ongebruikelijke keuze is.

4.12.

[naam eiser] heeft zich echter op het standpunt gesteld dat [naam gedaagde] een verkeerde keuze heeft gemaakt door de bal met volle snelheid en kracht uit te trappen richting het publiek. De gestelde feiten en omstandigheden bieden geen enkel aanknopingspunt voor de conclusie dat [naam gedaagde] welbewust het risico voor lief heeft genomen dat een toeschouwer bij het uitspelen van de bal hard daardoor geraakt zou worden.

Voor zover al geoordeeld moet worden dat [naam gedaagde] een verkeerde keuze heeft gemaakt, door de bal niet bijvoorbeeld, zoals namens [naam eiser] geopperd, hard in het veld weg te spelen of met beleid, over de grond, uit te spelen, levert dat nog geen gevaarzettend handelen op dat niet meer aangemerkt kan worden als nog passend bij een normale prestatiegerichte wijze van voetballen. Immers, zoals de Hoge Raad heeft overwogen, moeten in het kader van sport of spel tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen – en dus ook mogelijk wat onbesuisde handelingen – worden verwacht. Alhoewel het incident tot een noodlottige afloop bij [naam eiser] heeft geleid, kan dus niet worden aangenomen dat [naam gedaagde] in het kader van de voetbalwedstrijd een abnormaal gevaarlijke gedraging heeft verricht die niet van hem behoefde te worden verwacht, door de bal uit te spelen zoals hij heeft gedaan. Van onrechtmatig handelen door [naam gedaagde] is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake, zodat hij niet kan worden aangesproken voor de door [naam eiser] geleden schade.

4.13.

Gelet op het voorgaande ontbreekt de grondslag voor de vordering van [naam eiser]. De vordering wordt dan ook afgewezen.

4.14.

[naam eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [naam gedaagde] worden begroot op:

– griffierecht € 1.666,00

– salaris advocaat € 3.540,00 (2 punten × tarief € 1.770,-)

Totaal € 5.206,00

4.15.

De vorderingen van [naam gedaagde] die zien op nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten zullen worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijn.

5.De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt [naam eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [naam gedaagde] tot op heden begroot op € 5.206,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de dag van voldoening,

5.3.

veroordeelt [naam eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op

€ 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis is voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de dag van voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. van Essen en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2022.

[3070/196]

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey