Hof: bedrijfsongeval, werknemer met ernstig letsel vordert betaling van door collectieve ongevallenverzekeraar aan werkgever betaald bedrag, hoger beroep slaagt niet

Samenvatting:

Appellant heeft ernstig letsel opgelopen toen hij bij geïntimeerde voor bepaalde tijd in dienst was. Hij was door zijn werkgever uitgeleend aan een ander bedrijf en werkzaam bij een compostfabriek. Na beëindiging van het dienstverband heeft appellant een WIA-uitkering ontvangen op basis van 100% arbeidsongeschiktheid en aansluitend ontvangt appellant een IVA-uitkering. Ten tijde van het bedrijfsongeval had de werkgever een collectieve ongevallenverzekering afgesloten. Op het polisblad is de werkgever zowel als verzekeringsnemer als begunstigde vermeld. Als verzekerden worden de medewerkers van verzekerde vermeld. De verzekeraar heeft vanwege het bedrijfsongeval een bedrag aan de werkgever uitgekeerd omdat deze begunstigde was onder de polis. Appellant wil dat dit bedrag aan hem wordt doorbetaald maar de werkgever weigert dit. Appellant vordert dat de werkgever wordt veroordeeld om het ontvangen bedrag aan hem wordt betaald. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen. Naar het oordeel van het hof is sprake van een sommenverzekering. Dat de hoogte van het inkomen van de werknemer voor de berekening van de som van belang is, maakt deze verzekering nog geen schadeverzekering. Appellant is van mening dat hij als begunstigde van de verzekering is aangewezen. Het hof overweegt dat het recht op uitkering toekomt aan de verzekeringnemer. Vast staat immers dat geïntimeerde, (de werkgever) overeenkomstig het bepaalde in art. 7:966 lid 1 BW op het polisblad als begunstigde is aangewezen. Het hof concludeert dat alle grieven worden verworpen. Het hoger beroep slaagt niet, het hof bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

ECLI:NL:GHSHE:2023:84

Instantie                          Gerechtshof ’s-Hertogenbosch

Datum uitspraak             17-01-2023

Datum publicatie            19-01-2023

Zaaknummer                  200.297.003_01

Rechtsgebieden             Verbintenissenrecht

Bijzondere kenmerken   Hoger beroep

Inhoudsindicatie             De bij een bedrijfsongeval arbeidsongeschikt geraakte werknemer vordert dat de werkgever de door de verzekeringsmaatschappij uit hoofde van een collectieve ongevallenverzekering aan de werkgever uitbetaalde bedragen aan hem uitkeert.

Vindplaatsen                   Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.297.003/01

arrest van 17 januari 2023

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. E.E. Frenken te Boxmeer, gemeente Land van Cuijk,

tegen

de besloten vennootschap [XY] Recycling B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. M.J.M.H. Simons te Someren,

op het bij exploot van dagvaarding van 5 juli 2021 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 8 april 2021, door de rechtbank Oost-Brabant, team kantonzaken, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 8734313\ CV EXPL 20-5676)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding in hoger beroep met grieven en akte tot wijziging/vermeerdering gronden van de eis;

de memorie van antwoord, met één productie (genummerd 2);

de mondelinge behandeling op 29 november 2022, waarbij beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3Waar gaat dit geschil over?

[appellant] is, terwijl hij voor bepaalde tijd in dienst was van [geïntimeerde] , betrokken geraakt bij een bedrijfsongeval. Daarbij heeft hij ernstig letsel opgelopen. Ten tijde van dat bedrijfsongeval had [geïntimeerde] een collectieve ongevallenverzekering afgesloten bij De Amersfoortse Verzekeringen. De Amersfoortse Verzekeringen heeft uit hoofde van deze verzekering en in verband met voormeld bedrijfsongeval een bedrag uitgekeerd aan [geïntimeerde] , die als verzekeringnemer en begunstigde op het polisblad stond vermeld. [appellant] stelt dat [geïntimeerde] het geld dat zij van De Amersfoortse Verzekeringen heeft ontvangen aan hem dient door te betalen. [geïntimeerde] weigert dat te doen. [appellant] heeft in deze procedure gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot, kort gezegd, betaling aan hem van het bedrag dat zij van De Amersfoortse Verzekeringen in verband met het bedrijfsongeval heeft ontvangen. De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. [appellant] is het hier niet mee eens en heeft hoger beroep ingesteld. Het hof is van oordeel dat het hoger beroep niet slaagt en bekrachtigt het vonnis waarvan beroep is ingesteld.

4De beoordeling

4.1.

In dit hoger beroep gaat het hof uit van de volgende feiten.

4.1.1.

[appellant] is op 23 februari 2017 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (voor de duur van zes maanden) in dienst getreden bij [geïntimeerde] . Het betrof een dienstverband voor nul uren per week.

4.1.2.

Op 24 maart 2017 is [appellant] betrokken geraakt bij een bedrijfsongeval. Als gevolg van dit ongeval heeft [appellant] letsel opgelopen. Ten tijde van het bedrijfsongeval was [appellant] door [geïntimeerde] uitgeleend aan en werkzaam bij Aterro, een compostfabriek te [vestigingsplaats] .

4.1.3.

De arbeidsovereenkomst van [appellant] is op 23 augustus 2017 van rechtswege geëindigd.

4.1.4.

Vanaf 24 augustus 2017 tot 22 maart 2019 heeft [appellant] een WIA-uitkering ontvangen op basis van 100% arbeidsongeschiktheid. Vanaf 22 maart 2019 ontvangt [appellant] een IVA-uitkering op basis van hetzelfde percentage arbeidsongeschiktheid.

4.1.5.

Ten tijde van het bedrijfsongeval had [geïntimeerde] een collectieve ongevallenverzekering afgesloten bij De Amersfoortse Verzekeringen. Op het polisblad is [geïntimeerde] zowel vermeld als verzekeringnemer, als begunstigde. Als verzekerden worden vermeld de medewerkers van de verzekeringnemer (zoals omschreven in de polisvoorwaarden).

4.1.6.

In artikel 6.9. van de toepasselijke polisvoorwaarden staat, onder meer, het volgende vermeld:

“(…) 6.9. (…) Op het polisblad staat aan wie we de uitkering betalen (…)”

4.1.7.

In een e-mailbericht van 22 februari 2019 heeft De Amersfoortse Verzekeringen onder meer het volgende bericht aan [persoon A] van Perree Partners:

“(…) Doorbetaling uitkering

De doorbetaling van de uitkering voor blijvende invaliditeit aan de verzekerde is een kwestie tussen de verzekeringnemer (werkgever) en de verzekerde (werknemer). De Amersfoortse Verzekeringen als uitkeringsinstantie heeft daarover geen zeggenschap. Overeenkomstig de uitkeringsclausule keren wij uitsluitend uit aan de verzekeringnemer (…)”

4.1.8.

Op 4 maart 2019 heeft De Amersfoortse Verzekeringen, uit hoofde van de collectieve ongevallenverzekering, een bedrag van € 16.107,84 aan [geïntimeerde] betaald. Op of omstreeks 9 juni 2020 heeft De Amersfoortse Verzekeringen nog een aanvullend bedrag van € 159,75 aan [geïntimeerde] uitgekeerd.

4.1.9.

[appellant] heeft [geïntimeerde] verzocht om de door De Amersfoortse Verzekeringen uitgekeerde bedragen aan hem (door) te betalen. [geïntimeerde] heeft dit geweigerd.

4.2.1.

In de onderhavige procedure vordert [appellant] (zakelijk weergegeven) om [geïntimeerde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling aan [appellant] van de door De Amersfoortse Verzekeringen aan [geïntimeerde] uitgekeerde bedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten.

4.2.2.

Aan deze vordering heeft [appellant] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

[appellant] en niet [geïntimeerde] moet als begunstigde van de collectieve ongevallenverzekering worden beschouwd en heeft daarom recht op de uitkeringen die De Amersfoortse Verzekeringen uit hoofde van die verzekering in verband met het bedrijfsongeval van [appellant] aan [geïntimeerde] heeft gedaan.

Voor zover [geïntimeerde] als begunstigde van de betreffende verzekering zou moeten worden beschouwd, beroept [appellant] zich op ongerechtvaardigde verrijking en/of de redelijkheid en billijkheid.

4.2.3.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, hierna aan de orde komen.

4.2.4.

In het tussenvonnis van 12 november 2020 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie van partijen heeft op 24 juni 2021 plaatsgevonden.

4.2.5.

De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] in het eindvonnis van 8 april 2021 afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

4.3.

[appellant] heeft in hoger beroep veertien grieven aangevoerd. [appellant] heeft, onder aanvulling c.q. wijziging van de gronden, geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde] om terug te betalen hetgeen [appellant] uit hoofde van het bestreden vonnis inmiddels heeft betaald aan [geïntimeerde] en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.

4.4.

Grief 1: Is er (ook) sprake van een schadeverzekering?

4.4.1.

[appellant] heeft in verband met deze grief aangevoerd dat er niet alleen sprake is van een sommenverzekering, maar ook van een schadeverzekering. De hoogte van het inkomen van [appellant] betreft immers het verzekerde bedrag, aldus [appellant] . Jaarlijks worden de inkomensgegevens van de werknemers, en destijds ook van [appellant] , doorgegeven aan De Amersfoortse Verzekeringen. Er is dus een relatie tussen de hoogte van het arbeidsinkomen en het verzekerd bedrag. Het gaat om een verzekering van het inkomen dat wegvalt ten gevolge van arbeidsongeschiktheid. De verzekering strekt tot schadeloosstelling door derving van inkomen ten gevolge van arbeidsongeschiktheid, aldus nog steeds [appellant] .

4.4.2.

[geïntimeerde] heeft betwist dat er (ook) sprake is van een schadeverzekering. Bij deze verzekering is het volgens [geïntimeerde] zo, dat het onverschillig is of en in hoeverre met de uitkering schade wordt vergoed. De uitkering bestaat uit een vaste som en de hoogte van eventuele schade is niet relevant. Ook is volgens [geïntimeerde] niet relevant dat de hoogte van het inkomen van een werknemer het verzekerd bedrag bepaalt. [geïntimeerde] verwijst hierbij naar het arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 15 november 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:5121.

4.4.3.

Het hof is van oordeel dat de grief niet slaagt. Het hof overweegt daarvoor het volgende.

De verzekeringsovereenkomst die het onderwerp van het debat tussen partijen is keert een eenmalig vast bedrag uit in het geval waarin het verzekerde voorval zich voordoet. De omvang van de uitkering is, zo blijkt uit het polisblad, niet gerelateerd aan de omvang van de daadwerkelijk geleden schade. Daarmee is naar het oordeel van het hof sprake van een sommenverzekering als bedoeld in artikel 7:964 BW. Dat het, zoals [appellant] stelt, gaat om een verzekering van het inkomen dat wegvalt ten gevolge van arbeidsongeschiktheid blijkt niet. Anders dan [appellant] stelt blijkt ook niet dat de verzekering strekt tot schadeloosstelling door derving van inkomen ten gevolge van arbeidsongeschiktheid. Dat de hoogte van het inkomen van de werknemer in kwestie voor de berekening van de uit te keren som van belang is, maakt deze verzekering nog geen schadeverzekering.

4.5.

Grieven 2 tot en met 8, 11 en 14: wie heeft te gelden als de begunstigde van de verzekering?

4.5.1.

[appellant] is van mening dat hij in de polisvoorwaarden als begunstigde van de verzekering is aangewezen, althans dat evident is dat bedoeld is dat [appellant] begunstigde is. [appellant] verwijst hierbij naar de inhoud van de toepasselijke polisvoorwaarden (productie 4 inleidende dagvaarding), de tussen hem en De Amersfoortse Verzekeringen gevoerde

e-mailcorrespondentie van 4 en 11 oktober 2017 (productie 5 inleidende dagvaarding) en de inhoud van de website van De Amersfoortse Verzekeringen over de collectieve ongevallenverzekering (producties 6 en 7 inleidende dagvaarding). [appellant] verwijst voorts naar een e-mail van De Amersfoortse Verzekeringen aan zijn advocaat van 2 april 2020 (productie 8 inleidende dagvaarding) met als bijlage een e-mail van 22 februari 2019 van De Amersfoortse Verzekeringen aan [persoon A] (zie hiervoor onder 4.1.7.) uit welke bijlage volgens [appellant] eveneens blijkt dat [appellant] de begunstigde is.

Volgens [appellant] is gelet op het voorgaande het standpunt van [geïntimeerde] dat [geïntimeerde] met deze verzekering de eigen schade heeft willen dekken onhoudbaar. [appellant] wijst er daarbij op dat in de polis met geen woord wordt gerept over de eigen schade van [geïntimeerde] als verzekerd belang.

Ook is volgens hem van belang dat de hoogte van de uitkering wordt bepaald door de mate van arbeidsongeschiktheid van [appellant] en de hoogte van het loon van [appellant] voorafgaand aan het ongeval. De schade van [appellant] bepaalt aldus de hoogte van de uitkering.

Bovendien heeft [geïntimeerde] , aldus [appellant] , ook een aansprakelijkheidsverzekering (die de schade dekt op grond van de vordering van [appellant] ex artikel 7:658 BW) en een rechtsbijstandsverzekering (die de kosten van de jegens [appellant] te voeren procedures dekt). Als [geïntimeerde] het risico van kosten van vervanging of re-integratie had willen verzekeren, dan had zij wel een verzuimverzekering of een ziekteverzuimverzekering afgesloten en geen collectieve ongevallenverzekering.

Dat [geïntimeerde] de bedoeling heeft gehad om haar eigen schade te verzekeren blijkt uit niets en is ook niet relevant volgens [appellant] , omdat die bedoeling voor De Amersfoortse Verzekeringen niet kenbaar is geweest. De door [geïntimeerde] gestelde bedoeling kan volgens [appellant] niet afgeleid worden uit de enkele vermelding op het polisblad van [geïntimeerde] als begunstigde en evenmin uit het feit dat [geïntimeerde] als enige de premies heeft voldaan.

Daarentegen blijkt uit de hiervoor genoemde inhoud van de toepasselijke polisvoorwaarden, de tussen hem en De Amersfoortse Verzekeringen gevoerde e-mailcorrespondentie en de inhoud van de website van de verzekeringsmaatschappij over de collectieve ongevallenverzekering dat De Amersfoortse Verzekeringen juist de bedoeling had om de uitkering ten goede van [appellant] te laten komen. [appellant] verwijst hierbij naar de tekst van de website van De Amersfoortse Verzekeringen, waaruit blijkt dat de collectieve ongevallenverzekering als secundaire arbeidsvoorwaarde ten gunste van werknemers is bedoeld.

De Amersfoortse Verzekeringen heeft het in de e-mailberichten ook over “uw claim” en daarin wordt ook jegens [geïntimeerde] gesproken over doorbetaling. [appellant] voert verder aan dat het woord “collectieve” erop duidt dat de verzekering ten behoeve van de gezamenlijke werknemers wordt afgesloten en niet ten behoeve van de individuele werkgever.

4.5.2.

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en in dat verband, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

[appellant] , aldus [geïntimeerde] , is niet als begunstigde aangewezen, niet in het polisblad en niet in de polisvoorwaarden. Integendeel. Op het polisblad is duidelijk vermeld wie de begunstigde is en dat is verzekeringnemer/ [geïntimeerde] . Het zichzelf aanwijzen als begunstigde is op grond van artikel 7:966 lid 1 BW toegestaan. In de polisvoorwaarden is, anders dan [appellant] stelt, geen begunstigde aangewezen. Er wordt slechts verwezen naar het polisblad en daarop is [geïntimeerde] als begunstigde vermeld. Bovendien is het zo, aldus [geïntimeerde] , dat zolang er geen begunstigde is aangewezen, het recht op uitkering op grond van artikel 7:967 lid 8 BW toekomt aan de verzekeringnemer, [geïntimeerde] dus.

Het is nooit de bedoeling van De Amersfoortse Verzekeringen en [geïntimeerde] – als partijen bij de verzekeringsovereenkomst – geweest om [appellant] als begunstigde aan te wijzen. Dat blijkt ook niet uit de door [appellant] aangehaalde stukken. Er wordt nergens gesproken over een eigen recht van verzekerde op een uitkering uit hoofde van de verzekering. [appellant] is bovendien helemaal niet betrokken geweest bij de totstandkoming van de overeenkomst en geen partij bij die overeenkomst. Hij kan dan ook geen rechten aan die overeenkomst ontlenen, aldus [geïntimeerde] .

[geïntimeerde] wijst er verder op dat in de arbeidsovereenkomst de collectieve ongevallenverzekering niet als secundaire arbeidsvoorwaarde is opgenomen. Evenmin is er sprake van een in de arbeidsrelatie tussen [appellant] en [geïntimeerde] geldende collectieve arbeidsovereenkomst waarbij is bepaald dat de werknemers van [geïntimeerde] als begunstigde van een door de werkgever afgesloten collectieve ongevallenverzekering hebben te gelden.

[geïntimeerde] heeft volgens haar wel degelijk een eigen belang bij de verzekering, namelijk de dekking van de eigen schade bij een ongeval, zoals kosten van vervanging en re-integratie. [geïntimeerde] heeft ook altijd de premies voor de verzekering betaald.

De bedoeling van [geïntimeerde] om haar eigen schade te dekken is ook altijd kenbaar geweest/of heeft dat moeten zijn voor De Amersfoortse Verzekeringen: [geïntimeerde] had zich zelf immers expliciet als begunstigde aangewezen. Om die reden liet De Amersfoortse Verzekeringen ook aan [appellant] weten dat de uitkering aan [geïntimeerde] werd gedaan en dat de kwestie van het al dan niet doorbetalen van de uitkering aan [appellant] een kwestie tussen [appellant] en [geïntimeerde] is.

Tot slot merkt [geïntimeerde] op dat het gegeven dat De Amersfoortse Verzekeringen in de door [appellant] aangehaalde e-mailcorrespondentie over “uw claim” spreekt, helemaal niets zegt over een eigen recht van [appellant] op doorbetaling van de uitkering door [geïntimeerde] .

4.5.3.

Het hof is van oordeel dat de grieven niet slagen en overweegt daartoe het volgende.

  1. In artikel 7:965 BW is bepaald dat onder verzekerde bij een sommenverzekering wordt verstaan degene op wiens leven of gezondheid de verzekering betrekking heeft en onder begunstigde degene die tot het ontvangen van een uitkering is aangewezen. Artikel 7:966 lid 1 aanhef en onder a BW bepaalt onder meer dat de verzekeringnemer door schriftelijke mededeling aan de verzekeraar zichzelf als begunstigde kan aanwijzen. Verder bepaalt artikel 7:967 lid 8 BW dat zolang geen derde als begunstigde is aangewezen, het recht op uitkering toekomt aan de verzekeringnemer.
  2. Vast staat dat [geïntimeerde] overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:966 lid 1 BW op het polisblad als begunstigde is aangewezen. Het hof is van oordeel dat nergens in de polis of polisvoorwaarden is bepaald dat de verzekerden degenen zijn die aanspraak kunnen maken op uitkering ingeval van het intreden van het verzekerd risico. [appellant] heeft weliswaar aangevoerd dat dit volgens hem uit de polisvoorwaarden blijkt, maar het hof volgt hem hierin niet en [appellant] heeft dit naar het oordeel van het hof ook onvoldoende onderbouwd. Nu geen derde als begunstigde is aangewezen volgt ook uit artikel 7:967 lid 8 BW dat [geïntimeerde] als verzekeringnemer het recht op uitkering toekomt.
  3. Van belang is verder dat in de arbeidsovereenkomst die [appellant] en [geïntimeerde] hadden afgesloten geen bepaling is opgenomen op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat [appellant] als begunstigde heeft te gelden bij de door [geïntimeerde] met De Amersfoortse Verzekeringen afgesloten collectieve ongevallenverzekering. Van een daartoe strekkende in de arbeidsovereenkomst opgenomen secundaire arbeidsvoorwaarde is bijvoorbeeld geen sprake. Op de arbeidsovereenkomst is ook geen collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing op grond waarvan [appellant] als begunstigde bij de collectieve ongevallenverzekering moet worden aangemerkt.
  4. Dat [geïntimeerde] en De Amersfoortse Verzekeringen bij het sluiten van de collectieve ongevallenverzekering de bedoeling zouden hebben gehad om de bij [geïntimeerde] werkzame werknemers als begunstigde van de verzekering aan te merken en om dekking voor eventuele schade voor werknemers van [geïntimeerde] af te spreken, is door [appellant] weliswaar gesteld, maar door hem, mede gelet op het gemotiveerde verweer van [geïntimeerde] , niet althans onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. Anders dan [appellant] stelt is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] wel degelijk een eigen belang bij bedoelde verzekering heeft en dat hij zich daarom als begunstigde heeft laten opnemen op het polisblad. Dat [geïntimeerde] een rechtsbijstandsverzekering en een aansprakelijkheidsverzekering heeft afgesloten en dat [geïntimeerde] een verzuimverzekering had kunnen afsluiten, brengt nog niet met zich dat [geïntimeerde] geen eigen belang bij het afsluit van de collectieve ongevallenverzekering heeft en dat [geïntimeerde] en De Amersfoortse Verzekeringen daarom wel bedoeld moeten hebben om, in afwijking van de tekst op het polisblad, bij wijze van derdenbeding de werknemers als begunstigden aan te wijzen. Zo heeft [geïntimeerde] ter zitting van het hof aangevoerd dat een verzuimverzekering niet alle kosten dekt ingeval van het uitvallen van een werknemer door ziekte. De kosten van vervanging van een zieke werknemer, zo heeft [geïntimeerde] onweersproken aangevoerd, worden niet door een verzuimverzekering gedekt en om die reden stelt [geïntimeerde] de collectieve ongevallenverzekering te hebben afgesloten.

Tot slot is het hof van oordeel dat uit het enkele gebruik in twee e-mailberichten aan [appellant] door De Amersfoortse Verzekeringen van de woorden “uw claim” niet volgt dat De Amersfoortse Verzekeringen daarmee zou hebben willen aangeven dat [geïntimeerde] en De Amersfoortse Verzekeringen bij het sluiten van de collectieve ongevallenverzekering de bedoeling hebben gehad om de werknemers als begunstigden van die verzekering aan te merken. Bovendien is gesteld, noch gebleken van uitlatingen of gedragingen van [geïntimeerde] zelf op grond waarvan aangenomen zou kunnen worden dat [geïntimeerde] niet de bedoeling had haar eigen schade te verzekeren maar om dekking/een geldelijke voorziening voor de werknemers te regelen. Evenmin blijkt zonder nadere toelichting, die [appellant] niet heeft gegeven, uit de bijlage bij de e-mail van 2 april 2020 te weten de e-mail van 22 februari 2019 (zie hiervoor onder 1.4.7 en 4.5.1.), van een verplichting van [geïntimeerde] tot doorbetaling aan [appellant] . Dat De Amersfoortse Verzekeringen de bedoeling had dat de uitkering ten goede van [appellant] zou komen blijkt niet uit de hiervoor onder 1.4.7. aangehaalde passage.

4.6.

Goed werkgeverschap

4.6.1.

[appellant] heeft in hoger beroep aangevoerd dat [geïntimeerde] op grond van goed werkgeverschap gehouden is de door haar van De Amersfoortse Verzekeringen in verband met het ongeval van [appellant] ontvangen uitkeringen door te betalen aan [appellant] . Daarbij herhaalt [appellant] zijn verwijzingen naar de tekst van het polisblad, de polisvoorwaarden, de correspondentie met De Amersfoortse Verzekeringen en het feit dat de verzekering ter dekking van de schade van (in dit geval) [appellant] zou zijn afgesloten.

4.6.2.

[geïntimeerde] heeft betwist dat zij op grond van goed werkgeverschap gehouden zou zijn tot doorbetaling aan [appellant] van de door haar van De Amersfoortse Verzekeringen in verband met het ongeval van [appellant] ontvangen bedragen. Zij heeft haar eigen schade willen dekken. Bovendien vloeit goed werkgeverschap voort uit een arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer en kunnen aan mededelingen van derden in correspondentie of op een website geen rechten worden ontleend.

4.6.3.

Het hof is van oordeel dat het betoog van [appellant] ook op dit punt niet slaagt. [appellant] heeft haar stelling dat [geïntimeerde] op grond van goed werkgeverschap gehouden zou zijn tot doorbetaling van de door [geïntimeerde] van De Amersfoortse Verzekeringen ontvangen uitkeringen onvoldoende onderbouwd. Hij heeft het gelaten bij enkele verwijzing naar de tekst van de polisvoorwaarden, de inhoud van de website van De Amersfoortse Verzekeringen en e-mailcorrespondentie en bij de enkele (hiervoor bij rov. 4.5.3. sub d reeds verworpen) stelling dat de verzekering ter dekking van de schade van [appellant] zou zijn afgesloten. Met deze enkele verwijzing is echter niet onderbouwd, waarom het in strijd met goed werkgeverschap zou zijn om als (de op het polisblad aangewezen/vermelde) begunstigde de van de verzekeringsmaatschappij ontvangen bedragen niet uit te keren aan een derde/de werknemer die het ongeval is overkomen, in dit geval [appellant] . Dit klemt te meer nu in de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst geen bepaling is opgenomen die [geïntimeerde] als werkgever verplicht tot het betalen aan [appellant] van de door haar als begunstigde bij de collectieve ongevallenverzekering van de verzekeraar ontvangen uitkeringen.

4.7.

Grieven 10,11 en 14: redelijkheid en billijkheid

4.7.1.

[appellant] heeft aangevoerd dat [geïntimeerde] , onder vermeerdering van de gronden van zijn vordering, op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid gehouden is de van De Amersfoortse Verzekeringen ontvangen bedragen aan hem uit te betalen. Daartoe verwijst [appellant] nogmaals naar de eerder vermelde

e-mailcorrespondentie, het polisblad, de polisvoorwaarden, de website van De Amersfoortse Verzekeringen en is het volgens [appellant] onnavolgbaar dat de kantonrechter ondanks zijn oordeel dat mag worden aangenomen dat een collectieve ongevallenverzekering naar haar aard bedoeld is om een werknemer te compenseren bij een ongeval, oordeelt dat [geïntimeerde] de ontvangen uitkeringen niet aan [appellant] hoeft door te betalen.

4.7.2.

[geïntimeerde] wijst er bij wijze van betwisting weer op dat de verzekeringsovereenkomst alleen geldt tussen haar en De Amersfoortse Verzekeringen. [appellant] is geen partij bij die overeenkomst en kan ook geen rechten aan die overeenkomst ontlenen. Van een derdenbeding is geen sprake en [geïntimeerde] heeft ook nooit de verwachting gewekt dat [appellant] de begunstigde van de betreffende verzekering zou zijn. [appellant] , aldus [geïntimeerde] , wist voor het ongeval ook helemaal niet van het bestaan van de collectieve ongevallenverzekering af volgens [geïntimeerde] .

4.7.3.

Het hof is van oordeel dat ook deze grief faalt. Dat het bepaalde in artikel 6:248 lid 1 BW ertoe zou moeten leiden dat de tussen De Amersfoortse Verzekeringen en [geïntimeerde] gesloten verzekeringsovereenkomst inhoudt dat niet (verzekeringnemer) [geïntimeerde] , die expliciet door de partijen bij de verzekeringsovereenkomst op het polisblad is aangewezen als begunstigde, recht heeft op de uitkering onder de dekking van de collectieve ongevallenverzekering maar [appellant] , kan het hof niet afleiden uit de teksten/stukken waar [appellant] naar verwijst.

Het hof herhaalt verder, onder verwijzing naar wat hiervoor in rov. 4.5.3. sub d is overwogen, dat niet kan worden vastgesteld dat [geïntimeerde] en De Amersfoortse Verzekeringen bij het sluiten van de collectieve ongevallenverzekering de bedoeling hebben gehad om een recht op uitkering bij het intreden van het verzekerd risico voor de werknemers zelf in het leven te roepen en/of dat partijen bij de verzekeringsovereenkomst bedoeld hebben om de schade van de werknemers van [geïntimeerde] / [appellant] te verzekeren. Daaraan doet niet af het oordeel van de kantonrechter dat mag worden aangenomen dat een collectieve ongevallenverzekering naar haar aard bedoeld is om een werknemer te compenseren bij een ongeval.

4.8.

Grieven 9,11 en 14: ongerechtvaardigde verrijking

4.8.1.

[appellant] stelt dat [geïntimeerde] door de betaling aan haar door De Amersfoortse Verzekeringen is verrijkt. Zij heeft immers van De Amersfoortse Verzekeringen in verband met het ongeval van [appellant] in totaal een bedrag van (€ 16.107,84 + € 159,75 =) € 16.267,59 ontvangen. [appellant] wijst erop dat [appellant] in het kader van zijn loonvordering van [geïntimeerde] een bedrag van € 7.000,00 heeft ontvangen. Meer kosten in verband met het ongeval heeft [geïntimeerde] volgens [appellant] niet gehad, omdat [geïntimeerde] een aansprakelijkheidsverzekering en een rechtsbijstandsverzekering heeft. Voor de verrijking van [geïntimeerde] is geen redelijke grond. Uit de inhoud van het polisblad, de polisvoorwaarden, de website van De Amersfoortse Verzekeringen en de e-mailcorrespondentie tussen De Amersfoortse Verzekeringen en [appellant] blijkt dat de uitkering ten goede dient te komen aan en bedoeld is voor [appellant] . De verzekering was immers, aldus [appellant] , bedoeld ter dekking van de schade van [appellant] . Door het niet betalen van de uitkering aan [appellant] is hij volgens hem verarmd.

4.8.2.

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd. Zij stelt dat zij niet is verrijkt door de uitkering onder de collectieve ongevallenverzekering. Zij heeft op grond van de met De Amersfoortse Verzekeringen gesloten overeenkomst een uitkering ontvangen. Deze overeenkomst had zij gesloten ter verzekering van bepaalde risico’s voor haar als werkgeefster. [geïntimeerde] heeft altijd de premies voor deze verzekering betaald (en niet doorbelast aan haar werknemers) en volgens haar overstijgt het bedrag aan bepaalde premies de gedane uitkeringen. [geïntimeerde] wijst er verder op dat zij schade heeft geleden. Zij heeft in verband met de loonvordering een minnelijke regeling met [appellant] getroffen en proceskosten moeten betalen. De uitkering die zij kreeg van De Amersfoortse Verzekeringen heeft zij ten behoeve van die regeling en kosten aangewend. Dat proceskosten via een aansprakelijkheidsverzekering en/of rechtsbijstandverzekering zijn gedekt, betekent volgens [geïntimeerde] nog niet dat zij geen schade heeft geleden. Zij heeft immers ook altijd voor deze verzekeringen premies moeten betalen.

De uitkering aan [geïntimeerde] is volgens haar ook niet ten koste van [appellant] en er is volgens haar dus ook geen sprake van een verarming van [appellant] door de betaling door De Amersfoortse Verzekeringen aan [geïntimeerde] .

Tot slot merkt [geïntimeerde] op dat de gestelde verrijking ook niet ongerechtvaardigd is. Er is namelijk een redelijke grond aanwezig, namelijk de door haar met De Amersfoortse Verzekeringen gesloten overeenkomst, waarbij zij overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:966 BW zichzelf als begunstigde mocht/kon aanwijzen.

4.8.3.

Het hof is van oordeel dat ook deze grieven falen. Voor zover er al daadwerkelijk sprake zou zijn van verrijking als gevolg van de uitkering door De Amersfoortse Verzekeringen ( [appellant] heeft immers ook kosten gehad als gevolg van het ongeval van [appellant] ), is van belang dat die uitkering heeft plaats gevonden op basis van een door [geïntimeerde] met De Amersfoortse Verzekeringen gesloten overeenkomst, waarvoor [appellant] zelf de premies heeft betaald. Daar komt bij dat het karakter van een sommenverzekering ertoe leidt dat het onverschillig is of er wel of niet sprake is van vergoeding van schade (art. 7:964 BW). Dat maakt dat een krachtens deze verzekering gedane uitkering niet als ongerechtvaardigd kan worden beschouwd.

4.9.

Grieven 12 t/m 14: ten onrechte veroordeeld in de proces- en nakosten

Omdat, zoals hiervoor is overwogen, de grieven waarmee [appellant] heeft betoogd dat hij, anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, recht heeft op betaling aan hem door [geïntimeerde] van de door [geïntimeerde] onder de dekking van de collectieve ongevallenverzekering ontvangen gelden, allemaal worden verworpen, is [appellant] in eerste aanleg terecht in de proceskosten en de nakosten veroordeeld. Ook deze grieven falen.

4.10.

Conclusie

De conclusie van het voorgaande luidt dat alle grieven worden verworpen en dat het vonnis waarvan beroep (in verband met de vermeerderde grondslagen) onder aanvulling van gronden zal worden bekrachtigd. Aan het opdragen van bewijslevering komt het hof, gelet op het voorgaande, niet toe.

Het hof zal [appellant] , omdat hij in het ongelijk wordt gesteld, veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep. Volgens vaste rechtspraak levert een kostenveroordeling ook voor de nakosten een executoriale titel op. Een veroordeling tot betaling van de proceskosten en de wettelijke rente daarover omvat dus een veroordeling tot betaling van de nakosten en de wettelijke rente daarover, met dien verstande dat de wettelijke rente over de nakosten die zijn verbonden aan noodzakelijke betekening van de uitspraak is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. Het hof zal de nakosten en de wettelijke rente daarover niet afzonderlijk in de proceskostenveroordeling vermelden (zie Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853).

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten vanaf de datum van de memorie van antwoord zal worden afgewezen. Eerst met de uitspraak van het hof worden de omvang van de proceskosten en de partij die die kosten moet betalen vastgesteld.

5De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt, onder aanvulling van gronden, het vonnis van 8 april 2021, door de rechtbank Oost-Brabant, team kantonzaken, zittingsplaats Eindhoven, onder zaak-/rolnummer 8734313 \ CV EXPL 20-5676 gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde;

veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op:

€ 2.106,00 aan griffierecht en

€ 2.228,00 aan salaris advocaat,

deze proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente, indien [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest de proceskosten heeft betaald;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.I.M.W. Bartelds, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en E.J. Wervelman en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 januari 2023.

griffier rolraadsheer

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey