Rb: regresvordering onderaannemer op hoofdaannemer voor val uitzendkracht, hoofdaannemer aansprakelijk

Samenvatting:

Werknemer die door uitzendorganisatie ter beschikking is gesteld aan de onderaannemer, is tewerkgesteld bij gedaagde, de hoofdaannemer. Bij de uitoefening van zijn werkzaamheden struikelt de werknemer op trap en loopt daarbij letsel aan pols op. Eiseres heeft als aansprakelijkheidsverzekeraar van de onderaannemer de schaderegeling ter hand genomen en spreekt gedaagde tot schadevergoeding aan. Gedaagde heeft gesteld dat er geen sprake is van een onveilige situatie en heeft daarvan bewijs opgedragen gekregen. Gedaagde is niet in het bewijs geslaagd: anders dan gedaagde had gesteld was er sprake van een situatie waarin de werknemer met zijn schoen onder de door de hoofdaannemer op de trap aangebrachte bescherming kon blijven haken. De onderaannemer is niet naast de hoofdaannemer aansprakelijk. Hoofdelijkheid 6:101, 6:102 en 6:10 BW.

 

ECLI:NL:RBOBR:2021:422

Instantie

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak

03-02-2021

Datum publicatie

09-02-2021

Zaaknummer

339769 / HA ZA 18-728

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Bodemzaak

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

Contradictoir. Letselschade. 7:658 lid 4 BW. Hoofdelijkheid 6:101, 6:102 en 6:10 BW. Werknemer die door uitzendorganisatie ter beschikking is gesteld aan de onderaannemer, is tewerkgesteld bij gedaagde, de hoofdaannemer. Bij de uitoefening van zijn werkzaamheden struikelt de werknemer op trap en loopt daarbij letsel aan pols op. Eiseres heeft als aansprakelijkheidsverzekeraar van de onderaannemer de schaderegeling ter hand genomen en spreekt gedaagde tot schadevergoeding aan. Gedaagde heeft gesteld dat er geen sprake is van een onveilige situatie en heeft daarvan bewijs opgedragen gekregen. Gedaagde is niet in het bewijs geslaagd: anders dan gedaagde had gesteld was er sprake van een situatie waarin de werknemer met zijn schoen onder de door de hoofdaannemer op de trap aangebrachte bescherming kon blijven haken. De onderaannemer is niet naast de hoofdaannemer aansprakelijk.

 

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

 

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

 

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

 

zaaknummer / rolnummer: C/01/339769 / HA ZA 18-728

 

Vonnis van 3 februari 2021

 

in de zaak van

 

rechtspersoon naar buitenlands recht

 

[eiser] ,

 

gevestigd te [plaats 1] ,

 

eiseres,

 

advocaat mr. B. Fluit te Amsterdam,

 

tegen

 

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

 

[gedaagde] ,

 

gevestigd te [plaats 2] ,

 

gedaagde,

 

advocaat mr. C. Banis te Rotterdam.

 

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

 

1De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

 

het tussenvonnis van 19 juni 2019

 

de akte van [gedaagde] met productie 6

 

de antwoordakte van [eiser]

 

de aanvullende productie (productie 12) van [eiser]

 

het proces-verbaal van getuigenverhoor van 21 oktober 2019

 

het proces-verbaal van getuigenverhoor en tegenverhoor van 1 september 2020

 

de conclusie na enquête en contra-enquête

 

de antwoordconclusie na enquête en contra-enquête.

 

1.2.

Ten slotte is wederom een datum voor vonnis bepaald.

 

2De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank blijft bij hetgeen reeds is overwogen en beslist in het vonnis van 19 juni 2019. In dat vonnis is [gedaagde] opgedragen te bewijzen dat de constructie van de trap, waaronder begrepen de trapleuning, waar [A] gestruikeld is zodanig was dat deze geen gevaar opleverde voor de personen die daarvan gebruik maakten.

 

2.2.

[gedaagde] heeft daartoe bij akte een foto van de betreffende trap, althans van een trap in hetzelfde pand die op dezelfde wijze was bekleed als de trap waarover [A] is gevallen (productie 6) overgelegd. Daarnaast heeft [gedaagde] getuigen doen horen. Deze getuigen hebben als volgt verklaard.

 

2.2.1.

[B] , voormalig werknemer [gedaagde] , heeft, samengevat, het volgende verklaard. Ik heb van juli 1999 tot en met april 2014 gewerkt bij [gedaagde] . Voorafgaand aan dit getuigenverhoor heb ik met [C] gesproken en vorige week heb ik met de advocaat van [gedaagde] ook gesproken. We spraken over het onderwerp waar het vandaag over gaat. Ik was projectleider voor de werkzaamheden aan het provinciehuis in Haarlem. In dat provinciehuis waren twee trappenhuizen. Daar heeft de heer [A] een ongeval gehad. Ik was die dag niet op het project maar heb er wel dezelfde dag van gehoord. U vraagt mij naar de bekleding van de trappen in die trappenhuizen, welke bekleding ter bescherming diende. Die bekleding is ter plaatste gemaakt. Op elke trede is een houten plaat aangebracht van steigerhout. Die lag dus horizontaal op elke trede. Aan de zijkanten, dus tegen de korte verticale zijde van de plank, werd deze vastgezet met hout, zodat de plank klemde en niet kon verschuiven. Ook werden de planken met latten aan de linker- en rechterkant met elkaar verbonden zodat deze niet konden verschuiven. Dat waren latten met de lengte van de hele trap. Die latten waren met een klos op de planken vastgemaakt. Het maken van de bekleding is maatwerk. Alle trappen in die trappenhuizen zijn zo op dezelfde manier bekleed. Dat gebeurde op alle projecten zo. De planken hadden de volledige lengte van de treden. Ik weet niet of de planken die aangebracht zijn ook even diep waren als de treden. U vraagt mij of iemand die de trap op liep met zijn schoen achter de plank zou kunnen blijven haken. Ik antwoord daarop dat het een slechte zaak zou zijn als dat zou kunnen. Daar maak je die plank niet voor, die moet aansluiten. De trappen hadden originele houten leuningen. Om die leuningen was dacht ik ook bescherming aangebracht met een soort kapje van hout. Ik weet niet of dat aan de linker- en rechterleuning hetzelfde was. Ik dacht dat de bescherming aan de vrije kant van hout was en de bescherming aan de kant van de muur van ander materiaal, pvc dacht ik, zodat er voldoende ruimte over bleef tussen de leuning en de muur om de leuning zonder klem te komen zitten vast te pakken. U houdt mij nu een foto van trapbekleding voor waarvan u zegt dat deze door [gedaagde] in het geding is gebracht. Zo zag de bekleding van de trap in het provinciehuis eruit en dat is anders dan ik geschetst heb. De planken hebben niet de volle breedte van de treden en er zit aan de zijkant geen hout om de planken klem te zetten. Aan de onderkant van de planken is een regel van hout aangebracht die ik niet heb beschreven. De originele trap is een betontrap die horizontaal en verticaal met natuursteen is bekleed. De planken komen iets naar voren op de treden zodat er ruimte is voor de regels. Ik kan niet zeggen of de planken over de regels uitsteken. Ik weet niet wat de houtkleurige vlakjes zijn die op de foto onder de planken ter hoogte van de latten te zien zijn. Onder de regel zit ruimte en daar kun je met je schoen onder komen. Ik weet niet of je bij de originele trap ook met je schoen onder de horizontale treden zou kunnen komen.

 

2.2.2.

[C] , hoofduitvoerder, heeft, samengevat, het volgende verklaard. Ik heb vanaf 1975 tot 2016 bij [gedaagde] gewerkt. In een telefoonconferentie is de zaak voorafgaand aan dit getuigenverhoor besproken. Aan die conferentie deed ik mee samen met de advocaat van [gedaagde] en de heren [D] , [B] en [E] van [gedaagde] . Ik ben hoofduitvoerder geweest op het project provinciehuis Haarlem. U vraagt mij naar de wijze waarop de trappen in het provinciehuis door ons waren beschermd. Er was sprake van twee trappenhuizen. De treden waren met vilt bekleed van boven tot onder. Op de treden waren underlaymentplanken aangebracht van 18 millimeter dik. Die planken waren van boven tot onder gekoppeld met latten die vastgeschroefd zaten. De planken bedekten de volledige lengte en breedte van de treden. Dit was de algemene beschermingsprocedure voor trappen in bestaande situaties. De bescherming werd zo overal toegepast. Het vilt diende om de oorspronkelijke trap te beschermen tegen krassen die zouden kunnen ontstaan door het vuil onder het hout. Het was zo dat het vilt van onder tot boven doorliep en daarmee dekte het de verticale ruimten tussen de treden af. Zo kon bij het oplopen van de treden niet onder de treden worden gekomen. De planken waren vlak uitgevoerd, er was geen sprake van een randje en de planken staken niet over de originele treden uit. Ik heb de trap ongeveer een uur na het ongeval geïnspecteerd. Ik heb alle trappen geïnspecteerd en heb geen losliggende of uitstekende trapdelen kunnen constateren dus het verbaasde met hoe het ongeval dan gebeurd had kunnen zijn. De trappen hadden twee leuningen. Aan de kant van het schalmgat hadden wij een houten bescherming gemaakt en aan de muurkant hebben wij de leuning afgeschermd door middel van schuimvilt van een paar millimeter dik. Ik weet niet welke kleur dit had, meestal is het blauw. Mij wordt nu een foto voorgehouden uit de processtukken van [gedaagde] . Ik zie daarop een afbeelding van een van de trappen zoals wij die in het werk hebben bekleed in de periode waarin het ongeval zich heeft voorgedaan. Er zijn op de foto links en rechts de houten regels/koppellatten te zien waarover ik heb verklaard. Links is de houten bekleding van de leuning te zien en rechts is de vilten bekleding van de leuning te zien. Op de trap is in zwart het vilt te zien wat over de trap is gespannen. Ik zie dat de planken, anders dan ik heb verklaard, niet de volle breedte van de treden hadden. Dat is in verband met de opstaande nok aan de zijkant van de treden. Ik herinner me dat niet zo meer. Nu ik de foto zie weet ik niet meer of de oorspronkelijke trap open treden had. Ik twijfel daar nu aan. U wijst mij op de houten lat onder de planken die op de treden zijn aangebracht. Die lat dient om vervorming van de plank, waardoor de plank zou kunnen gaan wijken, tegen te gaan. Die houten lat zit vlak tegen de voorkant van de oorspronkelijke trede en ook vlak tegen de voorkant van de plank die op de trede ligt. Die plank steekt dus niet over die lat uit. U vraagt mij wat de houtkleurige vlakjes zijn die onder de latten te zien zijn. Dat zijn koppelstukjes om het vilt op zijn plek te houden. Bij het oplopen van de trap kun je met je schoen onder de lat blijven haken. De dikte van die lat is twee centimeter.

 

2.2.3.

[D] , voormalig werknemer [gedaagde] , heeft, samengevat, het volgende verklaard. Ik was bij [gedaagde] in dienst in de periode 2000 tot eind 2017 als bouwkundig uitvoerder. Ik weet dat het vandaag gaat om een ongeval dat in het provinciehuis heeft plaatsgevonden. Ik kan me daar niet alles van herinneren. Ter voorbereiding heb ik geprobeerd alles weer naar boven te halen en zo’n driekwart jaar geleden of zo heb ik een telefonisch consult gehad met de advocaat van [gedaagde] en de heren [C] en [B] . Er waren in het provinciehuis twee trappenhuizen. Die hadden betonnen trappen. Ik weet niet meer of dat open of gesloten trappen waren. Met gesloten trappen bedoel ik dat er onder de treden verticale stootborden waren aangebracht. Ik dacht dat het gesloten treden waren. De treden waren beschermd met horizontale platen underlayment of OSB. Links en rechts van de trap zaten latten over de gehele lengte van de trap om schuiven te voorkomen. Ook de bordessen waren bekleed. Ik weet dat dat in dit geval zo was, maar het wordt ook altijd zo gedaan. Ik herinner mij niet dat de stootborden bekleed waren. Er was geen andere bescherming op de trappen aangebracht. De underlaymentplaten op de treden zijn iets groter als er ook een neuslat is aangebracht, waarmee de voorkant van de treden wordt beschermd. Ik vermoed dat dat hier ook gebeurd is, maar ik herinner me dat niet. Mij wordt een foto voorgehouden van een trap, dat is productie 6 bij akte bewijslevering. Volgens mij is het een willekeurige trap. Ik kan niet terughalen dat de trappen in het provinciehuis er zo uitzagen. Het lijkt me een andere trap. Er is te zien dat er neuslatten zijn aangebracht, dat er eerst folie over de treden is aangebracht en dat er daarna OSB-platen zijn aangebracht. Ook zijn de latten aan de zijkant te zien. Te zien is ook dat de bescherming van de OSB-platen niet de volle breedte van de trap beslaat. Waarschijnlijk was aan de zijkanten sprake van een verhoging. Te zien is ook dat de stootborden alleen met folie zijn bekleed. De rechterleuning op de foto is geen wandleuning en ik meen me te herinneren dat er in het provinciehuis wel sprake was van een wandleuning. Dat is een leuning die met beugels aan de wand is vastgezet.

 

2.3.

[eiser] heeft bij het tegenverhoor [A] als getuige doen horen. Hij heeft, samengevat, als volgt verklaard. Ik bleef met mijn werkschoen achter een plank hangen en viel voorover. Er waren in het pand verschillende soorten trappen, zoals noodtrappen, ijzeren trappen en de trappen waar ik ben gevallen. Op de treden van de trap waar ik ben gevallen waren houten planken aangebracht. Er waren ook planken aan de voorkant van de treden aangebracht, die liep niet tot onder door, maar tot de helft, waardoor er een soort sleuf was. De veiligheidsschoenen die ik droeg hebben een bolling aan de voorkant en daarmee bleef ik achter zo’n plank hangen. De planken die op de treden waren aangebracht waren over de volle breedte aangebracht en er waren planken aangebracht om de voorkant van de treden te beschermen. Ik weet niet of die planken even dik waren als de treden, dat kon ik niet zien. U houdt mij een foto voor van een trap, productie 6 bij akte bewijslevering. De trap die hierop te zien is is een noodtrap, waarvan er twee in het provinciehuis waren, uit mijn hoofd gezegd. Het is niet de trap waar ik ben gestruikeld. Het materiaal dat op de trap van de foto is aangebracht ziet er ongeveer hetzelfde als het materiaal dat was aangebracht op de trap waar ik gestruikeld ben, alleen liepen op de trap waar ik gestruikeld ben de planken aan de voorzijde verder door naar beneden. De op de foto zichtbare blauwe folie lijkt mij hetzelfde. Deze was bij de trap waar ik gestruikeld ben ook zo aangebracht. Soms waren er stukjes overgeslagen als men kennelijk niet uit was gekomen. Ik heb niet geprobeerd om de met folie beklede leuning vast te houden, omdat duidelijk was dat de leuning te breed was om vast te houden.

 

2.4.

[gedaagde] heeft bij conclusie na enquête en contra-enquête, samengevat, het volgende aangevoerd. Zij is van mening dat uit de getuigenverklaringen volgt dat de staat waarin de trap verkeerde ten tijde van het ongeval gelijk was aan de staat ten tijde van de laatste inspectie en dat de trap dus veilig was. Verder volgt uit de verklaringen dat er nooit opmerkingen zijn gemaakt over de kwaliteit van de trap. Noch door [F] noch door de grote hoeveelheid mensen die ter plaatste aan het werk waren. De trap was dus altijd in dezelfde goede staat. Van enige gebrek aan de trap is nooit sprake geweest. Verder blijkt uit de getuigenverklaringen en de overgelegde rapporten dat ook de constructie van de trap deugdelijk en niet onveilig was. [gedaagde] concludeert dat zij voldaan heeft aan haar bewijsopdracht waardoor geconcludeerd moet worden dat de trap voldeed aan de eisen die daaraan gesteld mochten worden dat dat zij naar haar zorgplicht voldaan heeft. [gedaagde] verwijst ten slotte nog naar recente uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant en het hof Amsterdam op grond waarvan ook geoordeeld moet worden dat er sprake was van een gewone trapconstructie, die voldeed aan alle eisen en daarom was er voor [gedaagde] geen aanleiding om nadere voorzieningen te treffen of instructies te geven.

 

2.5.

[eiser] voert, samengevat, het volgende aan in haar antwoordconclusie. [gedaagde] is er niet in geslaagd om te bewijzen wat de toestand van de trap was ten tijde van de val van [A] . Van de door [gedaagde] overgelegde foto heeft geen van de getuigen bevestigd dat het de trap is waarop [A] ten val is gekomen. Uit de getuigenverklaringen kan geconcludeerd worden dat er sprake was van een aangebrachte houten trapbekleding waarmee de ruimte op de traptreden is verkleind, waar iemand met zijn (werk)schoen achter kan blijven haken en die het onmogelijk maakt de leuning vast te houden. De trap kan niet veilig worden gebruikt en levert een gevaar op voor degenen die daar gebruik van maken. De door [gedaagde] overgelegde inspectierapporten zeggen ook verder niets over de status van de trap ten tijde van het ongeval. De jurisprudentie waar [gedaagde] naar heeft verwezen gaat in dit geval niet op omdat er geen sprake is van een alledaagse handeling in de huiselijke sfeer op een normale vaste trap die iedereen wel eens gebruikt.

 

2.6.

De vraag die nu door de rechtbank beantwoord moet worden, is of [gedaagde] geslaagd is in het leveren van het aan haar opgedragen bewijs. De aan [gedaagde] gegeven bewijsopdracht vloeit voort uit haar stelling dat de houten beschermconstructie van de trap naadloos aansloot op de aanwezige gerenoveerde trap zodat het onmogelijk is dat [A] met zijn werkschoen achter de trapbekleding is gehaakt. Uit hetgeen [gedaagde] tot bewijs heeft bijgebracht volgt niet dat er sprake was een naadloze aansluiting van de beschermconstructie op de gerenoveerde trap en evenmin van de onmogelijkheid voor [A] om achter de trapbekleding te haken. Ook volgt daaruit niet dat de constructie van de trap zodanig was dat deze geen gevaar opleverde voor personen die van de trap gebruik maakten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [gedaagde] niet is geslaagd in de haar opgedragen bewijslevering en overweegt daartoe als volgt.

 

2.6.1.

De door [gedaagde] ingenomen stellingen sluiten niet op elkaar aan. Zo heeft [gedaagde] in de conclusie van antwoord gesteld dat de houten constructie waarmee de trap bekleed was naadloos aansloot op de trap waardoor het niet mogelijk was om te blijven haken achter de trapbekleding. Ter comparitie heeft dhr. [E] , veiligheidskundige van [gedaagde] , verklaard dat er enkele dagen na het ongeval een foto van een vergelijkbare trap gemaakt is en dat uit deze foto niet blijkt dat houten platen horizontaal en verticaal niet aansloten. Alle trappen werden volgens hem op dezelfde manier bekleed. Waarbij het volgens [E] normaal gesproken zo was dat de platen horizontaal en verticaal op elkaar aansloten met een bevestiging aan de zijkant van de treden. Nadat aan haar de opdracht was verstrekt om de door haar als veilig gekenschetste situatie te bewijzen heeft [gedaagde] een foto (productie 6 akte bewijslevering) overgelegd van een trap die volgens haar op dezelfde wijze bekleed was als de trap waarop [A] gevallen is. De rechtbank stelt vast dat op deze foto, in tegenstelling tot hetgeen [gedaagde] tot haar verweer gesteld heeft, een trap te zien is met ruimte onder de treden waarbij het mogelijk is dat er met een schoen achter gehaakt wordt. Er is dus geen sprake van bekleding die naadloos aansluit. Tevens zijn er op de foto houten latten zichtbaar die de treden met elkaar verbinden en waardoor de trapleuningen minder goed bereikbaar waren voor iemand die van de trap gebruik maakte. Ook kan uit de foto afgeleid worden dat de grip op de trapleuningen verminderd was door de beschermingsmiddelen die op beiden leuningen aangebracht waren.

 

2.6.2.

Daarbij komt dat de verklaringen van de getuigen die [gedaagde] heeft doen horen, ondanks het vooroverleg dat heeft plaatsgevonden tussen de getuigen en de advocaat van [gedaagde] , niet eenduidig en innerlijk tegenstrijdig zijn en ook een andere constructie van de beschermconstructie van de trap beschrijven dan aanvankelijk door [gedaagde] geschetst. Zo heeft [B] verklaard dat het een slechte zaak zou zijn als iemand met zijn schoen zou kunnen blijven haken. Volgens hem moeten de planken aansluiten. Hij geeft verder aan dat de bekleding op de trap op de door [gedaagde] overgelegde foto er anders uitziet dan dat hij eerder in zijn verklaring geschetst heeft. Volgens [B] kun je met je schoen onder de regel komen omdat daar ruimte tussen zit. [C] heeft verklaard dat de originele trap open treden had en helemaal bekleed was met vilt en underlayment. Het vilt liep van onder tot boven door en daarmee dekte het de verticale ruimten tussen de treden af. Zo kon bij het oplopen van de treden niet onder de treden gekomen worden. De planken waren vlak uitgevoerd, er was geen sprake van een randje en de planken staken niet over de originele treden uit. Het ongeval zou gebeurd kunnen zijn doordat [A] achter de trapbekleding was blijven haken, aldus [C] . Na het tonen van de foto van de trap heeft [C] vervolgens verklaard dat de planken, anders dan hij beschreven heeft, niet de volle breedte van de treden hadden. Ook twijfelt hij of de oorspronkelijke trap open treden had en geeft hij aan dat je bij het oplopen van de trap met je schoen onder de lat kunt blijven haken. Voor getuige [D] geldt dat hij zich niet veel meer herinnert over de trap en de manier waarop deze bekleed was. Ook niet na het tonen van de foto.

 

[A] heeft verklaard dat er planken aan de voorkant van de treden waren aangebracht die niet tot onder doorliepen waardoor er een sleuf was waarachter hij met zijn veiligheidsschoenen bleef haken. Als reactie op de getoonde foto geeft hij aan dat bij de trap waarop hij gevallen is de planken aan de voorzijde verder doorliepen. De met folie beklede leuning heeft hij niet vastgehouden omdat deze te breed was om vast te houden.

 

2.6.3.

Uit de door [gedaagde] in het geding gebrachte foto en de verklaringen van de getuigen volgt dat er op de trap waarop [A] gevallen is, sprake was een sleuf (uitsteeksel) waar [A] achter kon en is blijven haken met zijn schoenen. Van een situatie dat de houten beschermingsconstructie naadloos aansloot op de trap, zoals door [gedaagde] tot haar verweer is gesteld, was dus geen sprake. Verder volgt uit de foto en de verklaringen dat de leuningen niet goed bereikbaar waren door de latten die aangebracht waren op de treden en dat de leuningen door de aangebrachte bekleding minder houvast boden.

 

De trap werd gebruikt bij het verrichten van werkzaamheden, waarbij er naar algemene ervaringsregels rekening mee moet worden gehouden dat er door werknemers niet altijd de noodzakelijke oplettendheid in acht genomen zal worden. Bovendien werd de trap gebruikt door werknemers die ook materiaal met zich meedroegen. Er is in dit geval geen sprake van een huis-, tuin en keukensituatie. Weliswaar is in een dergelijk situatie het struikelen op een trap een risico maar in dit geval is het risico vergroot door de omstandigheid dat de trap gebruikt werd door werknemers die materiaal met zich meedroegen en door de aanwezigheid van de sleuf waarin met een schoen gehaald kon worden en het slecht bereikbaar zijn van de trapleuningen die voor extra ondersteuning hadden kunnen zorgen. De rapporten (productie 4 en 5 conclusie van antwoord) waarop [gedaagde] een beroep doet, doen hier verder niets aan af omdat niet gebleken is dat daarin daadwerkelijk is getoetst op deze omstandigheden. Ook de uitspraken waarnaar [gedaagde] in haar laatste conclusie nog naar verwezen heeft, kunnen niet tot een ander oordeel leiden omdat er daarin de omstandigheden anders waren dan in dit geval waar er geen sprake is van een huis-, tuin en keukensituatie.

 

Concluderend moet worden vastgesteld dat er geen sprake was van een veilige situatie.

 

2.7.

Nu [gedaagde] niet geslaagd is in het leveren van het opgedragen bewijs dat de constructie van de trap, waaronder begrepen de trapleuning, waar [A] gestruikeld is zodanig was dat deze geen gevaar opleverde voor de personen die daarvan gebruik maakten, staat ook vast dat [gedaagde] niet aan de op haar rustende zorgplicht heeft voldaan. Dit brengt met zich mee dat [gedaagde] op grond van art. 7:658 lid 4 BW aansprakelijk is voor de door [A] geleden schade. Artikel 7:658 lid 4 BW impliceert een aansprakelijkheid van zowel het uitzendbureau ( [J] ) als de inlener ( [gedaagde] ) jegens [A] en gelet op het bepaalde in artikel 6:102 BW betreft dit een hoofdelijke aansprakelijkheid. De draagplicht binnen deze verhouding zal dienen te worden vastgesteld aan de hand van het bepaalde in de artikelen 6:101 BW, 6:102 BW en 6:10 BW. [eiser] heeft aangevoerd dat [gedaagde] in de onderlinge verhouding met [J] op grond van art. 6:102 jo. 6:101 BW volledig dan wel grotendeels zal moeten bijdragen in de schade van [A] . [gedaagde] heeft dit betwist. Op grond van het bepaalde in artikel 6:102 lid 1 BW zijn personen hoofdelijk verbonden indien op ieder van hen de verplichting tot vergoeding van schade rust. Volgens artikel 6:10 lid 1 BW zijn hoofdelijke schuldenaren ieder voor het gedeelte van de schuld dat hem in hun onderlinge verhouding aangaat, verplicht in de schuld en in de kosten bij te dragen. In het tussenvonnis van 19 juni 2019 is in rechtsoverweging 4.7. reeds overwogen dat [gedaagde] een algemene veiligheidsinstructie gegeven heeft en dat niet gezegd kan worden dat [A] voor de zorg voor zijn veiligheid uitsluitend afhankelijk was van [J] . [A] moet geacht worden daarvoor mede van [gedaagde] afhankelijk te zijn geweest. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat [J] gerichte werkinstructies aan [A] heeft gegeven. Door [gedaagde] is ook verder niet gesteld hoe [J] in dit specifieke geval veiligheidsmaatregelen had kunnen treffen en welke specifieke veiligheidsinstructies zij aan [A] had moeten geven. De rechtbank is daarom van oordeel dat de interne draagplicht in de verhouding tussen [J] en [gedaagde] volledig op [gedaagde] rust. Dit betekent dat [gedaagde] gehouden is volledig bij te dragen in de door [eiser] betaalde en nog uit te betalen schade. De subsidiair gevorderde verklaring voor recht zal dan ook worden toegewezen.

 

2.8.

[eiser] heeft een bedrag van € 7.124,97 aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Nu niet (voldoende onderbouwd) gesteld is dat ten behoeve van [eiser] werkzaamheden zijn verricht die een hogere vergoeding rechtvaardigen dan is aanbevolen in het rapport Voor-werk II, zal de gevorderde vergoeding wegens buitengerechtelijke incassowerkzaamheden slechts worden toegewezen tot een bedrag gelijk aan € 925,00.

 

2.9.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

 

– dagvaarding € 98,01

 

– griffierecht 1.950,00

 

– getuigenkosten 100,00

 

– salaris advocaat 2.252,00 (4,0 punten × tarief € 563,00)

 

Totaal € 4.400,01

 

3De beslissing

De rechtbank

 

3.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde] gehouden is volledig bij te dragen in de door [eiser] uitgekeerde en uit te keren schade en de door haar gemaakte en te maken kosten in de letselschadezaak van de heer [A] aan [eiser] te vergoeden, inclusief de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de gedane afzonderlijke betalingen tot aan de dag der algehele voldoening,

 

3.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 925,00 aan buitengerechtelijke incassokosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot aan de dag van betaling,

 

3.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 4.400,01, te betalen binnen veertien dagen vanaf de dagtekening van dit vonnis en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van het verstrijken van die termijn tot de dag van volledige betaling,

 

3.4.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

 

3.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

 

3.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2021.

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey