Rb: werknemer glijdt uit in bakkerij, werkgever niet aansprakelijk ex art 7:658 BW en art 6:170 BW

Samenvatting:

Werknemer in bakkerij glijdt uit, komt ten val en breekt heup. Hij stelt zijn werkgever aansprakelijk o.g.v. art 7:658 BW en art 6:170 BW. 1. Naar het oordeel van de kantonrechter komt de onduidelijkheid over de precieze toedracht van het ongeval voor rekening en risico van werkgever. 2. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever voldoende maatregelen heeft genomen om de vloer en het schoeisel zo veilig mogelijk te maken. Daarin valt aldus geen schending van de zorgplicht af te leiden. Dat volgens eiser diverse medewerkers andere veiligheidsschoenen hebben aangeschaft, omdat zij de vloer als te glad ervaarden, is naar het oordeel van de kantonrechter een onvoldoende betwisting. De kantonrechter oordeelt voorts dat ook t.a.v. het geven van instructies en waarschuwingen niet is gebleken dat werkgever haar zorgplicht heeft geschonden. 3. Aansprakelijkheid ex art 6:170 BW afgewezen. Toedracht is onduidelijk, niet duidelijk is waarover werknemer is uitgegleden.

 

 

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Cluster I Civiele kantonzaken

Tilburg

zaak/rolnr.: 8227707 CV EXPL 19-7541

vonnis d.d. 23 juni 2021

inzake

[Eiser],

wonende te
hierna te noemen: [eiser],

eiser,

gemachtigde: mr. S.P. de Groot, advocaat te Den Haag,

tegen

  1. de besloten vennootschap Dutch Bakery Group B.V.,

zetelende te (5048 CE) Tilburg, Kronosstraat 2.

  1. de vennootschap naar liet recht van het Verenigd Koninkrijk MG Europe Limited, statutair gevestigd te Cardiff(UK). mede kantoorhoudende te (2909 LK) Capelle aan den IJssel, in Crystal Building B Rivium Boulevard 216-218,

hierna gezamenlijk te noemen: “Dutch Bakery

gedaagden,

gemachtigde: mr. R. Rutten, advocaat te Rotterdam.

  1. Het verloop van het geding

1.1 De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

  1. het tussenvonnis in deze zaak van 21 oktober 2020 met de daarin genoemde processtukken;
  2. de aantekeningen van de griffier met betrekking tot de gehouden mondelinge behandeling van 19 januari 2021;
  3. het e-mailbericht van 22 februari 2021. zijdens Dutch Bakery c.s.

1.2 Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen verzocht om aanhouding van de procedure om te proberen tot een minnelijke regeling te komen. Bij e-mailbericht van

22 februari 2021 is verzocht om vonnis te wijzen nu men niet tot een minnelijke regeling is gekomen. Zodoende is vonnis bepaald op heden.

  1. Het geschil

2.1 [eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. een verklaring voor recht te geven dat Dutch Bakery c.s. aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade;
  2. Dutch Bakery c.s, te veroordelen tot voldoening van de gemaakte buitengerechtelijke

 

kosten in de deelgeschilprocedure ad € 2.029.00;

  1. met veroordeling van Dutch Bakery c.s. in de kosten van het geding.

2.2 Dutch Bakery c.s. voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 157,00 zonder betekening, dan wel € 246,00 in het geval van betekening, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente indien betaling binnen 14 dagen niet plaatsvindt.

  1. De beoordeling

3.1 Tussen partijen staan de volgende feiten — voor zover relevant — in rechte vast:

  1. [eiser] is op 1 februari 2015 in dienst getreden bij Dutch Bakery in de functie van Operator Productie op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Als zodanig hield [eiser] zich bezig met de productie aan productielijn 3, waar (vooral) focaccia en worstenbroodjes werden gemaakt;
  2. op 19 maart 2015 werkte [eiser] aan de productielijn 3 waar die dag worstenbroodjes werden gemaakt;
  3. [eiser] is die dag uitgegleden en ten val gekomen. Daarbij heeft hij kort het bewustzijn verloren. Een collega heeft hem geholpen en [collega 1] (de ploegleider; hierna te noemen: ”'[collega 1]”) gebeld, die op zijn beurt [collega 2] (de manager; hierna te noemen: ‘[collega 2]”) heeft geïnformeerd. [collega 2] heeft [eiser] vervolgens naar de huisartsenpost in Waalwijk Daarna is [eiser] per ambulance naar de spoedeisende hulp van het ‘TweeSteden Ziekenhuis in Tilburg gebracht;
  4. uit het onderzoek in het ziekenhuis is gebleken dat er door de val een kleine breuk in het heupgewricht is ontstaan, waarvan verwacht werd dat deze vanzelf zou [eiser] heeft daarna het ziekenhuis verlaten;
  5. op 23 maart 2015 is een ongevallenformulier ingevuld, welke is ingevuld door [collega 1], en waarin onder meer staat:
Maatregelen
Oorzaak (bijna) ongeval            . Gladde vloer, te snel lopen
Wat is de kans op herhaling? Matig
Wal zijn de genomen maatregelen Vloer, schoon laten maken, geen vervuiling waar je over kan uitglijden. Waarschuwen dat ze niet mogen rennen.

 

Bij de vraag of de arbeidsinspectie is ingelicht is door [collega 1] geen antwoord ingevuld;

  1. vanwege aanhoudende klachten heeft [eiser] op 8 mei 2015 de poli orthopedie bezocht van het Catharina Ziekenhuis in Eindhoven. Hierop is hij doorverwezen

 

voor een marcaïnisatie aan de heup, waarbij per injectie een verdovend middel en een ontstekingsremmend middel is toegediend. Hierop is [eiser] in een anafylactische shock terecht gekomen, een acute, ernstige en levensbedreigende allergische reactie op een lichaamsvreemde stof. [eiser] onderging een

hartstilstand, een reanimatie en een opname op de intensive careafdeling van het ziekenhuis. Na een verblijf van een week is [eiser] ontslagen uit het ziekenhuis;

  1. in de periode van 21 mei 2015 tot half juli 2015 is [eiser] volledig arbeidsongeschikt geweest, waarna hij zijn arbeidsuren weer heeft opgebouwd.

Gedurende de re-integratieperiode heeft [eiser] klachten aan de ogen, huid en luchtwegen ervaren;

  1. op 23 april 2016 heeft [eiser] Dutch Bakery aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade, welke aansprakelijkheid door Dutch Bakery en AlG is AIG is de aansprakelijkheidsverzekeraar van Dutch Bakery;
  2. de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is (na een eerste verlenging) van rechtswege geëindigd op 31 juli 2016. [eiser] is nadien hij [Bakkerij 1] in Waalwijk in dienst getreden en later bij [Bakkerij 2] in Uden. Bij deze laatste bakkerij is hij thans werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd;
  3. op 17 augustus 2017 heeft Cunningham Lindsey, in opdracht van Dutch Bakery, een onderzoek verricht naar de inrichting van de werkplek en de daaraan te stellen eisen. In de rapportage over dat onderzoek staat onder meer vermeld:

Veiligheidsschoenen met S2 veiligheidsnormering zijn geschikt voor droge en natte

werkzaamheden en geschikt voor industrie, magazijn, agrarisch, metaal, horeca, transport, voedselindustrie et cetera.

Dutch Bakery B.V. verstrekt, conform haar richtlijnen, veiligheidsschoenen met normering S2 voor medewerkers op de werkvloer en schoenen met een S3 normering voor medewerkers van de technische dienst.

In de productieruimte van Dutch Bakery B.V. te Waalwijk is de betonvloer afgewerkt met een epoxyvloersysteem. Een epoxyvloersysteem is een kuntstofvloerafwerking die aan alle regels en eisen voldoet, die vanuit de Warenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit aan de werkvloer worden gesteld.

Op grond van het hierboven vermelde zijn wij van mening dat het schoeisel en de werkvloer voldeden aan de hieraan vanuit de voedselindustrie, het Arbeidsomstandighedenbesluit en de Warenwet gestelde eisen.

Op basis van de ons verstrekte informatie heeft [eiser] zich

hoogstwaarschijnlijk niet gehouden aan de richtlijnen (veiligheidsinstructies die vanuit Dutch Bakery B.V. worden gesteld. [eiser] zou de werkplek niet goed schoon hebben gehouden en mogelijk hebben gerend op het moment dat hij ten

val kwam, (…)

  1. tussen partijen is een deelgeschilprocedure gevoerd over de aansprakelijkheidsvraag. Beslist is op 7 november 2018 dat de verzoeken worden afgewezen, nu de zaak zich niet leende voor een beslechting in een deelgeschil.

 

3.2 [eiser] legt — verkort weergegeven en voor zover relevant — aan zijn vordering ten grondslag dat Dutch Bakery op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade van [eiser]. Daartoe stelt hij dat hij op 19 maart 2015 in de uitoefening van zijn werkzaamheden is uitgegleden over de vloer in de productieruimte van Dutch Bakery, waarschijnlijk doordat de schoonmaker, die even daarvoor kruidenboter had verwijderd van de guillotine aan productielijn 3, de vloer onvoldoende heeft gedroogd. [eiser] stelt dat hij is uitgegleden ter hoogte van de guillotine en aan de zijde van de bakplaten. Daarna is hij onder de productielijn doorgekropen waar hij door een collega is aangetroffen. Als gevolg van die val heeft [eiser] schade opgelopen, bestaande uit een scheurtje in zijn heup die niet uit zichzelf herstelde en waarvoor hij een marcaïnisatie aan de heup heeft gehad. Daarnaast ondervindt hij nog steeds nadelige gevolgen van die marcaïnisatie in het ziekenhuis en de anafylactische shock die hij daardoor heeft gekregen, namelijk een (blijvende) overgevoeligheid van de ogen, huid en luchtwegen hij het werken met bloem. De werkomstandigheden c.q. werkomgeving voldeden niet aan de geldende veiligheidseisen, zodat Dutch Bakery haar zorgplicht heeft geschonden, aldus [eiser]. Daartoe stelt [eiser] dat de onzekerheid van de toedracht van het ongeval voor rekening en risico van Dutch Bakery c.s. komt, nu zij heeft nagelaten om direct na het ongeval de toedracht ervan te onderzoeken. Daarbij is het onjuist dat [eiser] is gevallen op de plek waar [collega 2] en [collega 1] hem hebben aangetroffen, aangezien [eiser] juist onder de productielijn is doorgekropen nadat hij was gevallen. De door Dutch Bakery c.s. genoemde maatregelen om dergelijke arbeidsongevallen te voorkomen, leiden niet tot de conclusie dat aan de zorgplicht is voldaan. Het is niet aannemelijk dat de vloer voldoende stroef is en dat deze vloer met antislip in de gehele ruimte overal hetzelfde is. Ook zijn de ter beschikking gestelde veiligheidsschoenen onvoldoende stroef. Het uitgevoerde onderzoek door Cunningham Lindsey is daarnaast niet juist uitgevoerd, omdat niet de juiste locatie van het ongeval is onderzocht. Evenmin is er een Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) overgelegd of een plan van aanpak opgesteld. Verder zijn de genoemde maatregelen onvoldoende op de aard van het ongeval toegespitst en kan men niet volstaan met het benoemen van algemene getroffen maatregelen. Omdat Dutch Bakery c.s. aansprakelijkheid voor het ongeval afwijst, vordert [eiser] een verklaring voor recht. Dutch Bakery is als aansprakelijke partij tevens gehouden tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten. Voorts stelt [eiser] dat AlG aansprakelijk is in de hoedanigheid van aansprakelijkheidsverzekeraar van Dutch Bakery en op grond van de directe actie van artikel 7:954 BW.

Subsidiair stelt [eiser] dat Dutch Bakery c.s. op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk is voor de fout van een ondergeschikte, te weten de schoonmaker. Aangezien [eiser] onbekend is met de identiteit van de schoonmaker en ook niet zeker weet of hij door een natte vloer is uitgeleden, is sprake van een bewijsproblematiek. Die problematiek is echter veroorzaakt door Dutch Bakery c.s., nu zij hebben nagelaten om direct onderzoek te verrichten naar de toedracht van het ongeval. Om die reden moet in de optiek van [eiser] de bewijslast worden omgekeerd dan wel moet voorshands aannemelijk worden geacht dat zijn val is veroorzaakt door vocht, achtergelaten door de betreffende schoonmaker.

3.3 Dutch Bakery c.s. betwist — verkort weergegeven en voor zover relevant – dat zij aansprakelijk is voor de val van [eiser]. Daartoe voert zij allereerst aan dat de door [eiser] gestelde toedracht niet aannemelijk is, zodat een causaal verband tussen de val en de toerekening daarvan aan Dutch Bakery c.s. niet vaststaat. Zo wordt een schoonmaker bijna nooit geroepen voor het schoonmaken van een werkplek nu dit door de Operators zelf moet worden schoongehouden, is de kans op afval waar [eiser] stelt te zijn gevallen heel

 

klein, vallen etensresten — indien deze wel vallen — vlak naast of onder de productielijn en zodoende niet op de plek waar [eiser] stelt te zijn gevallen, staat in het ongevallenformulier vermeld dat [eiser] is gevallen ter hoogte van de vleesspotter en wordt er niets vermeldt over de schoonmaker of de natte vloer en tot slot betreft het een extreem schone en opgeruimde werkplekomgeving. Dat [eiser] aldus is gevallen door een natte vloer, bij de bakplaten, is niet aannemelijk, terwijl het meer aannemelijk is dat [eiser] is uitgegleden over een stukje vlees tussen de twee productielijnen. Vervolgens voert Dutch Bakery c.s. aan dat zij — wat de toedracht ook is geweest — aan haar zorgplicht heeft voldaan. [eiser] heeft bij aanvang van zijn dienstverband veiligheidsinstructies en huisregels ontvangen, welke zijn voorzien van bijlagen over hygiëneregels. Daarnaast is hij ook gedurende een periode ingewerkt. Het betreft een ruimschoots voldoende inwerkperiode gezien de vrij overzichtelijke handelingen die [eiser] diende te verrichten, temeer nu hij ook al werkervaring heeft opgedaan bij andere bakkerijen. Ook is aan hem een juist schoeisel, met een groffe geprofileerde ‘safety-grip’-zool verstrekt en is de vloer voorzien van een antislipmiddel. Dat schoeisel en die vloer voldoen aan de betreffende eisen, zodat deze in combinatie met elkaar zorgen voor een veilige werkomgeving. Daarnaast wordt er door toezichthouders toezicht gehouden op het naleven van de regels. Voor wat betreft de hygiëne en veiligheid zijn er strikte schoonmaakroosters en wordt er bij de productielijnen vaak schoongemaakt. Van Dutch Bakery c.s. had niet meer mogen worden verwacht in het kader van haar zorgplicht. Inherent aan het werken met etenswaren is dat er af en toe wat op de grond valt, maar de genomen en gehanteerde veiligheidsmaatregelen zijn afdoende om die momenten te ondervangen. Het betreft naar de mening van Dutch Bakery c.s. aldus een ongelukkige samenloop van omstandigheden. De aansprakelijkheidsstelling voor een fout van een ondergeschikte, zijnde de schoonmaker, ex artikel 6:170 BW valt buiten het bestek van artikel 7:658 BW, en [eiser] heeft in dat kader ook onvoldoende gesteld.

Bovendien leidt de door [eiser] gestelde toedracht niet tot de conclusie dat de schoonmaker onrechtmatig heeft gehandeld, aldus Dutch Bakery c.s. Voorts voert Dutch Bakery c.s. aan dat voor omkering van de bewijslast geen aanleiding is. Bewijsnood is daarvoor niet voldoende een bijzondere omstandigheid. Tot slot betwist Dutch Bakery c.s. kort gezegd de verschuldigd van de kosten uit de deelgeschilprocedure.

3.4 Op de nadere standpunten van partijen zal hierna – voor zover relevant — verder worden ingegaan.

3.5 [eiser] baseert zijn gevorderde verklaring voor recht primair op artikel 7:658 BW. Een werknemer die zijn werkgever op basis van dit artikel aansprakelijk houdt voor zijn schade, zal moeten stellen en zo nodig bewijzen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Op grond van het bepaalde in artikel 7:658 lid 2 BW is de werkgever ten opzichte van de werknemer in beginsel aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij aan de in het eerste lid van artikel 7:658 BW genoemde zorgplicht heeft voldaan of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Dat sprake zou zijn van opzet of bewuste roekeloosheid van [eiser] is in dit geschil geen onderdeel van het partijdebat. Dutch Bakery is als werkgever van [eiser] dus gehouden die maatregelen te treffen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om ongevallen die zich bij de uitoefening door de werknemer van zijn werkzaamheden zouden kunnen voordoen, te voorkomen. Welke veiligheidsmaatregelen van de werkgever mogen worden verlangd en op welke wijze hij de werknemer moet instrueren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

 

3.6 Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] in voldoende mate gesteld dat hij in.de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden. Door hem is onweersproken gesteld dat hij op 19 maart 2015 in de productieruimte ten val is geraakt, dat [collega 2] hem nadien naar het ziekenhuis heeft gebracht en dat daar is gebleken van een scheurtje in de

heup van [eiser]. Ten aanzien van het scheurtje in de heup is de kantonrechter van oordeel dat in elk geval sprake is van letsel waarvan voldoende aannemelijk is dat dit een gevolg is van het ongeval dat [eiser] op 19 maart 2015 is overkomen. Daarmee staat vast dat [eiser] schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Of de overige door [eiser] gestelde schade, die ziet op blijvende overgevoeligheid van de ogen, huid en luchtwegen als gevolg van de anafylactische shock bij het werken met bloem ook een gevolg is van het ongeval op 19 maart 2015 kan in deze procedure in het midden worden gelaten aangezien de in deze procedure gevorderde verklaring voor recht alleen ziet op de aansprakelijkheid voor schade en niet op de omvang en hoogte van de schade.

3.7 Met inachtneming van het voorgaande staat in beginsel vast dat Dutch Bakery c.s. aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 BW. Aan die aansprakelijkheid kan Dutch Bakery c.s. in deze zaak alleen ontkomen door te stellen en zo nodig te bewijzen dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. Daartoe wordt als volgt geoordeeld.

3.8 Ter discussie staat wat de toedracht van het ongeval is geweest, waarbij letsel is ontstaan. Zo stelt [eiser] dat het waarschijnlijk is dat hij is gevallen als gevolg van een plas, die door de schoonmaker onvoldoende was drooggemaakt, terwijl Dutch Bakery aanvoert dat het waarschijnlijker is dat [eiser] is gevallen over een gemorst stukje vlees vanwege de productie van worstenbroodjes. Ook staat ter discussie waar [eiser] is gevallen, nu hij stelt te zijn gevallen ter hoogte van de bakplaten aan de ene zijde van de productielijn, terwijl Dutch Bakery c.s. aanvoert dat zij [eiser] heeft gevonden ter hoogte van de vleesspotter aan de andere zijde van de productielijn. Het ongevallen registratieformulier biedt onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen waar [eiser] is gevallen, nu onweersproken is gesteld dat [eiser] niet heeft bijgedragen aan het invullen van dat formulier. Dit formulier biedt aldus geen uitsluitsel over de feitelijke toedracht van het ongeval. Ook volgt uit de stellingen van partijen over en weer dat Dutch Bakery c.s. direct na het ongeval geen onderzoek heeft gedaan naar de oorzaak van het ongeval. Aldus is niet komen vast te staan hoe het ongeval precies heeft kunnen gebeuren. Naar het oordeel van de kantonrechter komt die onduidelijkheid over de precieze toedracht van het ongeval voor rekening en risico van Dutch Bakery c.s. Het is immers aan haar als werkgever om te stellen en zo nodig te bewijzen dat zij alle maatregelen heeft getroffen die redelijkerwijs van haar verlangd kunnen worden om het ongeval te voorkomen en daarom is het ook aan haar om te stellen en aannemelijk te maken wat de oorzaak van liet ongeval is geweest. Het antwoord op de vraag welke maatregelen Dutch Bakery c.s. had moeten treffen, is immers afhankelijk van de oorzaak van het ongeval.

3.9 Ter onderbouwing van haar standpunt dat de zorgplicht is nagekomen, voert Dutch Bakery c.s. aan dat zij de productieruimte heeft voorzien van een vloer met een antislipmiddel en dat zij in combinatie met die vloer ook aan haar werknemers een schoeisel verstrekt, welke een groffe geprofileerde `safety-grip’-zool heeft, de zogenaamde S2 . veiligheidsnormering. Hoewel [eiser] betwist dat zowel de vloer als het schoeisel voldoende stroefheid bevatten, volgt de kantonrechter hem niet in dat standpunt. Ter onderbouwing heeft Dutch Bakery c.s. een rapport van Cunningham Lindsey overgelegd van 17 augustus 2017. In dat rapport wordt ten aanzien van het schoeisel geconcludeerd dat veiligheidsschoenen met S2 veiligheidsnormering geschikt zijn voor droge en natte  werkzaamheden en geschikt voor (onder andere) de voedselindustrie. Ook ten aanzien van de vloer concludeert Cunningham Lindsey dat voldaan is aan de vereisten. Uit het rapport blijkt dat sprake was van een betonvloer, die was afgewerkt met een epoxyvloersysteem. Een dergelijke systeem voldoet zo begrijpt de kantonrechter uit het rapport — aan de eisen van het Arbeidsomstandighedenbesluit, waar in artikel 3.11 lid 1 van paragraaf 4 is bepaald dat Vloeren van arbeidsplaatsen zo veel mogelijk vrij zijn Van oneffenheden en gevaarlijke hellingen en voorts zo veel mogelijk vast, stabiel en stroef zijn. Weliswaar heeft [eiser] ter zitting gesteld dat het onderzoek van Cunningham Lindsey alleen heeft plaatsgevonden op de plek waar [eiser] uiteindelijk is gevonden, maar dat blijkt niet eenduidig uit het rapport. Daarin wordt immers geconcludeerd dat ‘in de productieruimte’ van Dutch Bakery sprake is van een bepaald soort vloer, zodat niet is komen vast te staan dat Cunningham, slechts op een bepaalde plek onderzoek heeft verricht. Geconcludeerd wordt derhalve door de kantonrechter dat Dutch Bakery c.s. voldoende maatregelen heeft genomen om de vloer en het schoeisel zo veilig mogelijk te maken. Daarin valt aldus geen schending van de zorgplicht af te leiden. Dat volgens [eiser] diverse medewerkers van Dutch Bakery andere veiligheidsschoenen hebben aangeschaft, omdat zij de vloer als te glad ervaarden, is naar het oordeel van de kantonrechter een onvoldoende betwisting, in het licht van het uitgevoerde onderzoek door Cunningham Lindsey. Te meer, nu Dutch Bakery stelt dat zij niet eerder klachten heeft gehad van medewerkers over een gladde vloer, er niet eerder sprake is geweest van uitglijden en de reden van aanschaffen van andere veiligheidsschoenen niet te maken had met gladheid, maar met de pasvorm (breedte) van de schoenen. Datzelfde geldt voor de door [eiser] overgelegde anonieme verklaring, nu daarin slechts een subjectieve waarneming van de stroefheid van de vloer en de schoenen is vermeld, en niet te herleiden valt  of deze waarneming is gebaseerd op objectieve gronden. Er ligt immers geen deugdelijke onderbouwing aan ten grondslag, terwijl Cunningham Lindsey wel een feitelijk onderzoek in de productieruimte heeft uitgevoerd.

3.10 Voorts is de kantonrechter van oordeel dat onweersproken is komen vast te staan dat [eiser] op diverse wijzen op de hoogte is gebracht en kennis heeft genomen van de door Dutch Bakery gehanteerde hygiëne- en veiligheidsinstructies. Die instructies zijn ter hand gesteld bij aanvang van het dienstverband en [eiser] is gedurende de eerste weken van zijn dienstverband door een collega ingewerkt. Hoewel ter discussie staat hoe lang dat inwerktraject feitelijk heeft geduurd, is dat naar het oordeel van de kantonrechter voor wat betreft de kennisneming van [eiser] over de instructies en hygiëneregels, niet van belang. Dat [eiser] is ingewerkt en dat daarbij ook waarschuwingen zijn gegeven om vooral rustig te lopen, staat als onweersproken vast. [eiser] heeft ook ter zitting erkend dat het in zijn aard zit om wat gedreven te lopen en dat dat ook werd veroorzaakt door de

drang om goed werk te verrichten. Gelet op die omstandigheden staat naar het oordeel van de kantonrechter vast dat ook ten aanzien van het geven van instructies en waarschuwingen niet is gebleken dat Dutch Bakery c.s. haar zorgplicht heeft geschonden.

  1. 11 Het beroep van [eiser] op het arrest van het Gerechtshof te Den Haag van 21 mei 2019 (ECLI:NL:GHDHA:2019:1266) slaagt evenmin. Hoewel [eiser] stelt dat het hier een bijna identieke casus betreft, is daarvan naar het oordeel van de kantonrechter niet gebleken. In die zaak betrof het een werkgever die — naast het stellen van algemene maatregelen — niet beschikte over een schoonmaakprotocol, terwijl dat bij Dutch Bakery wel zo is. Onweersproken is immers komen vast te staan dat Dutch Bakery strikte schoonmaakroosters hanteert, waarbij de vloer rondom de productielijnen meer dan eenmaal per dag wordt schoongemaakt. Daarbij overweegt de kantonrechter dat zelfs uitgaande van de situatie dat [eiser] is gevallen waar hij zegt te zijn gevallen, zijnde niet rondom deproductielijnen, ook in. dat geval nog altijd geldt dat Dutch Bakery hem had gewaarschuwd en voorzichtigheid ook dan van belang was. Ook betrof het in dat arrest een werkgever die geen schoeisel met een deugdelijk profiel c.q. een antislipzool verstrekte aan haar werknemers. Door [eiser] is erkend dat een dergelijk schoeisel wel door Dutch Bakery is verstrekt. Dat hij zijn twijfels heeft over de stroefheid en antislip van dat schoeisel, in combinatie met de vloer, maakt niet dat Dutch Bakery daarmee haar zorgplicht heeft geschonden, zoals reeds hiervoor is overwogen. Tot slot volgt uit voormeld arrest van 21 mei 2019 dat die werkgever niet beschikte over een RI&E en ook niet over schriftelijke veiligheidsinstructies, hetgeen Dutch Bakery c.s. wel heeft. Kortom is naar het oordeel van de kantonrechter gebleken dat beide casussen niet als bijna identiek kunnen worden beschouwd, zodat ook op basis daarvan niet de conclusie kan worden getrokken dat Dutch Bakery c.s. haar zorgplicht heeft geschonden.

3.12 De conclusie van het voorgaande is dat sprake is van een ongelukkige val/uitglijden op het werk met schade voor [eiser] als gevolg, maar dat niet kan worden geoordeeld dat Dutch Bakery als werkgever onvoldoende maatregelen heeft genomen om een val als deze te voorkomen, ook niet wanneer van strenge eisen aan de zorgplicht van Dutch Bakery als werkgever wordt uitgegaan. Geoordeeld wordt dan ook dat het beroep op artikel 7:658 BW zal worden verworpen.

3.13 Subsidiair stelt [eiser] dat Dutch Bakery c.s. op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk is vanwege een onrechtmatige daad van.de schoonmaker. Geoordeeld wordt op dit punt dat ook deze grondslag niet slaagt. De toedracht van het ongeval van [eiser] is onduidelijk gebleven, zodat niet kan worden vastgesteld waardoor c.q. waarover hij is uitgegleden. Zodoende valt in het geheel niet vast te stellen of de schoonmaker een fout heeft gemaakt, waarvoor Dutch Bakery c.s. aansprakelijk is te houden. Weliswaar stelt [eiser] hiertoe dat deze omstandigheid voor rekening van Dutch Bakery c.s. dient te komen, nu de bewijsnood aan zijn zijde is ontstaan door het toedoen van Dutch Bakery c.s., maar de kantonrechter acht dat onvoldoende om de bewijslast op grond van de redelijkheid en billijkheid om te keren. Toepassing van die uitzondering kan slechts met terughoudendheid en onder bijzondere omstandigheden plaatsvinden. Het bestaan van bewijsnood is op zichzelf onvoldoende reden om de bewijslast om te keren op grond van de redelijkheid en billijkheid. [eiser] heeft niet voldoende bijzondere feiten en omstandigheden gesteld die leiden tot toepassing van de uitzondering. Voor een andere bewijslastverdeling ziet de kantonrechter ook geen aanleiding. Evenmin bestaat er naar liet oordeel van de kantonrechter aanleiding

om [eiser] voorshands geslaagd te achten in het door hem te leveren bewijs (in welk geval er aanleiding zou bestaan Dutch Bakery c.s. in de gelegenheid te stellen tegenbewijs te leveren). Concluderend is de kantonrechter dan ook van oordeel dat ook het beroep op artikel 6:170 BW moet worden verworpen.

3.14 Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat de gevorderde verklaring voor recht zal worden afgewezen. De gevorderde buitengerechtelijke kosten van de deelgeschilprocedure treffen daarmee hetzelfde lot en zullen eveneens worden afgewezen.

3.15 Al hetgeen verder door partijen is aangevoerd en hiervoor onbesproken is gelaten, leidt niet tot een andersluidende beslissing.

3.16 [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze proceskosten worden begroot op een bedrag van E 561,00 als

 

gemachtigdensalaris (3 punten à E 187,00) voor de gemachtigde van Dutch Bakery c.s. De gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen indien en voor zover [eiser] de proceskosten niet binnen veertien dagen na de betekening van het vonnis zal hebben voldaan. Daarbij overweegt de kantonrechter dat [eiser], indien deze door de

betekening van het vonnis kennis heeft kunnen nemen van de inhoud daarvan, de gelegenheid moet worden geboden om binnen een redelijke termijn aan de proceskostenveroordeling in dit vonnis te voldoen, waarbij een termijn van veertien dagen als een redelijke termijn voor nakoming wordt gezien.

3.17 De nakosten, waarvan Dutch Bakery c.s. betaling vordert, zulten op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot, waarbij de kantonrechter geen aanleiding ziet voor toewijzing van een extra bedrag aan salaris bij betekening van het vonnis, zoals door Dutch Bakery c.s. wel is gevorderd. De gevorderde wettelijke rente over de nakosten zal als volgt worden toegewezen.

  1. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, aan de zijde van Dutch Bakery c.s. tot op heden begroot op E 561,00 als salaris voor de gemachtigde van Dutch Bakery c.s., te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de 15e dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt [eiser] onder de voorwaarde dat hij niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis volledig aan de veroordeling tot betaling van de proceskosten voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op E 124.00 aan salaris voor de gemachtigde van Dutch Bakery c.s., te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de 15e dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar hij voorraad:

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. Tilman-Knoester, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2021.

 

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey