Rechtbank: Onvoldoende onderbouwd gesteld dat sprake is van een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten

Samenvatting:

In deze zaak heeft de benadeelde in 2001 een mountainbike ongeval gehad als gevolg waarvan hij nekpijn, hoofdpijn, geheugen- en concentratiestoornissen heeft ontwikkeld. In 2002 is de benadeelde gevallen in een bus, omdat die bus een noodstop moest maken.

De rechtbank moet in deze procedure vaststellen wat de gevolgen zijn van het ongeval in de bus. Tussen partijen is in geschil of de benadeelde aan het ongeval klachten en beperkingen heeft overgehouden en of daardoor schade is ontstaan.

De rechtbank oordeelt dat de benadeelde onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat sprake is van een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten na het ongeval. De rechtbank komt daarom niet toe aan een beoordeling van het causaal verband.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/407265 / HA ZA 22-351

Vonnis van 27 september 2023

in de zaak van

  1. de naamloze vennootschap naar Belgisch recht

ALLIANZ BENELUX N.V.,

statutair gevestigd te Brussel (België) en kantoorhoudende te Rotterdam,

  1. de naamloze vennootschap

CONNEXXION OPENBAAR VERVOER N.V.,

statutair gevestigd te Haarlem en kantoorhoudende te Hilversum,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. [betrokkene 1] te Utrecht,

tegen

[ged.conv./eis.reconv.] ,

wonende te [plaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. J.A.M. de Kerf te Goes.

Partijen zullen hierna Allianz, Connexxion en [ged.conv./eis.reconv.] worden genoemd. Allianz en Connexxion worden gezamenlijk Allianz c.s. genoemd.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 1 februari 2023,

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 24 mei 2023.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2De feiten

2.1.

Op 21 januari 2001 heeft [ged.conv./eis.reconv.] een mountainbike-ongeval gehad. Terwijl hij van een heuvel afreed, moest hij krachtig remmen waardoor hij over het stuur heen op zijn hoofd viel. Als gevolg van dit mountainbike-ongeval heeft [ged.conv./eis.reconv.] nekpijn, hoofdpijn, geheugen- en concentratiestoornissen ontwikkeld.

2.2.

Uit het huisartsenjournaal (aantekeningen van 8 mei 2001 en 9 mei 2001) blijkt dat [ged.conv./eis.reconv.] vanaf 10 mei 2001 tot 6 juli 2001 bij de Stichting Geestelijke Gezondheidszorg Nijmegen (hierna: GGZ Nijmegen) behandeld is vanwege een ‘randpsychotisch toestandsbeeld’. In de aantekening van 5 juli 2001 in het huisartsenjournaal staat:

“Psychose NAO (micropsychose) In een relatief korte tijd is de psychose verdwenen.”

2.3.

[ged.conv./eis.reconv.] is vervolgens op 1 november 2002 gevallen in een bus van Connexxion (hierna verder: het ongeval). Nadat [ged.conv./eis.reconv.] in de bus was gestapt, trok de bus op vanuit stilstand om vervolgens onverwacht een noodstop te maken. [ged.conv./eis.reconv.] zat op dat moment nog niet op een zitplaats maar stond vooraan in de bus. Doordat de bus krachtig remde viel [ged.conv./eis.reconv.] tegen de voorruit van de bus aan.

2.4.

Connexxion was ten tijde van het ongeval tegen aansprakelijkheid verzekerd bij Allianz, die in 2003 namens Connexxion aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval heeft erkend en vervolgens de schaderegeling heeft opgepakt.

2.5.

[ged.conv./eis.reconv.] heeft op 5 november 2002 zijn huisarts bezocht. In het huisartsenjournaal staat hierover, voor zover hier van belang:

“05/11/2002 S heeft opnieuw last van whiplash. Door bus-ongeval. Voelt zich verder goed; heeft belangenstichting opgericht voor contractloze arbeidsongeschikten etc.”

2.6.

Bij brief van eveneens 5 november 2002 aan de huisarts heeft de fysiotherapeut onder meer bericht:

“Anamnese:

(…) [ged.conv./eis.reconv.] heeft een recidief van zijn nekklachten nadat een buschauffeur een plotselinge manoeuvre maakt. In 2001 maakte hij een whiplash-achtig beeld door waarvan hij goed herstelde.

Mijn onderzoek:

De functie van de CWK is normaal en volledig soepel, enige drukpijn op de cervicale musculatuur.”

2.7.

De rechtbank Rotterdam heeft op verzoek van [ged.conv./eis.reconv.] bij beschikking van 14 december 2007 een voorlopig deskundigenbericht gelast en met instemming van beide partijen is neuroloog prof. dr. [deskundige 1] (hierna: [deskundige 1] ) als deskundige benoemd.

2.8.

Het rapport van [deskundige 1] van 3 juni 2008 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“ Conclusie en beantwoording van uw vraagstelling:

Betrokkene is een thans 38-jarige man die 21 januari 2001 naar alle waarschijnlijkheid een acceleratietrauma over de cervicale wervelkolom opliep waarbij hij enkele maanden last heeft gehad van klachten die naar alle waarschijnlijkheid werden veroorzaakt door een hierbij opgelopen acceleratietrauma over de cervicale wervelkolom. Vrijdag 1 november 2002 sloeg hij in een plots afremmende autobus met rug en hoofd naar achteren, daarbij weer direct last krijgend van dezelfde klachten, die ondanks een zeer intensief therapeutisch programma tot op heden persisteren. Vanuit mijn vakgebied zijn er echter nimmer aanknopingspunten gevonden voor organische ongeval-gerelateerde afwijkingen van het centrale en/of perifere zenuwstelsel waardoor zijn klachten begrepen zouden kunnen worden. Met name zijn er geen aanknopingspunten voor het bestaan van een postwhiplash syndroom.”

2.9.

In antwoord op vraag 1d, over de bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek, merkt [deskundige 1] op:

“Bij oriënterend intern en uitvoerig neurologisch onderzoek thans worden geen relevante afwijkingen door mij vastgesteld. Bestudering van het vanuit de behandelende sector vervaardigde hulponderzoek in de zin van een MRI- en CT-scan van de cervicale wervelkolom alsmede een MRI-scan van schedel en hersenen leverden evenmin aanknopingspunten op voor het bestaan van eventueel aan zijn klachten ten gronde liggende afwijkingen, zoals met name posttraumatische afwijkingen.”

In antwoord op vraag 1e over wat de diagnose op zijn vakgebied is, antwoordt [deskundige 1] :

“Ik kan betrokkenes tot op heden persisterende ongeval-gerelateerde klachten vanuit mijn vakgebied niet verklaren.”

In antwoord op vraag 1f (Indien sprake is van klachten waarbij geen objectiveerbaar letsel kan worden vastgesteld, kunt u dan gemotiveerd aangeven wat uw differentiaal diagnostische overwegingen zijn?), schrijft [deskundige 1] :

“Gezien de vanuit de behandelende sector beschreven bipolaire stoornis dan wel psychotische en gemakkelijk ontsporende persoonlijkheidsstructuur van betrokkene, gezien de ook de verstoorde relatie van betrokkene met zijn vader alsmede de procedure inzake eventuele arbeidsgeschiktheid met het UWV, lijkt een aanvullend psychiatrisch onderzoek aangewezen om een eventuele op dit vakgebied regarderende afwijking dewelke in verband kan worden gebracht met betrokkenes tot op heden persisterende ongeval-gerelateerde klachten uit te sluiten dan wel aan te tonen.”

In antwoord op vraag 1g (de huidige mate van functieverlies op uw vakgebied) geeft [deskundige 1] aan:

“Op mijn vakgebied zijn er geen aanknopingspunten gevonden voor een organisch-neurologische stoornis, betrokkene’s tot op heden persisterende klachten verklarend. Een en ander brengt met zich mee dat ik vanuit mijn vakgebied dan ook geen functieverlies (impairment) kan vaststellen.”

In antwoord op vraag 1h (welke beperkingen), schrijft [deskundige 1] :

“Betrokkene ondervindt naar mijn oordeel, in ieder geval vanuit mijn vakgebied, geen beperkingen in het dagelijkse leven, de vrijetijdsbesteding dan wel het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden en loonvormende arbeid.”

Vraag 1i (te verwachten toekomstige verbeteringen of verslechteringen) beantwoordt [deskundige 1] als volgt:

“Ik acht de huidige toestand van betrokkene zodanig dat, vanuit mijn vakgebied, een beoordeling van de eventueel blijvende ongeval-gerelateerde gevolgen mogelijk is. Ik verwacht in de toekomst geen belangrijke verbetering of verslechtering van het op mijn vakgebied geconstateerde letsel.”

Op vragen over de situatie zonder ongeval (vraag 2a) concludeert [deskundige 1] :

“Gezien de door mij geïnventariseerde medische voorgeschiedenis van betrokkene acht ik op mijn vakgebied geen klachten en of afwijkingen aanwezig die er ook geweest zouden kunnen zijn of die op enig moment ontstaan zouden kunnen zijn, als het ongeval betrokkene niet was overkomen.”

2.10.

[deskundige 1] schrijft verder in de begeleidende brief van 3 juni 2008 bij zijn rapport, voor zover hier van belang, het volgende:

“Daarnaast ontving ik een schrijven van mevrouw mr [betrokkene 1] met daarbij een reactie op mijn concept rapport (…). Hieruit begrijp ik dat laatstgenoemde zich afvraagt waarom ik de klachten van betrokkene (die ik vanuit mijn vakgebied niet kan begrijpen) duid als een gevolg van onderhavig ongeval. Het antwoord hierop is dat een actuele inventarisatie van de medische voorgeschiedenis van betrokkene opleverde dat zich op medisch gebied voorafgaande aan genoemde ongevallen zich eigenlijk geen hier relevante zaken voorgedaan hebben, terwijl betrokkene’s klachten zich direct in aansluiting aan deze ongevallen ontwikkelden en sedertdien persisteerden, waardoor enige samenhang niet te ontkennen lijkt.

(…)

Voorts mocht ik een reactie ontvangen van mijn collega [betrokkene 1] , de medisch adviseur van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] , advocaten. Uit dit schrijven begreep ik dat [betrokkene 1] betrokkene’s klachten vond passen bij een postwhiplash syndroom, terwijl ik in mijn rapport stel dat van dit syndroom geen sprake is. Inderdaad, ik kon het bestaan van dit syndroom uitsluiten doordat betrokkene niet voldeed aan de criteria zoals door mijn beroepsgroep (NVvN) vereist voor het stellen van deze diagnose (waarbij geen sprake is van een aantoonbare afwijking bij neurologisch onderzoek en hulponderzoek). Hierbij speelde met name het feit dat ik een volstrekt onbeperkte beweeglijkheid over de cervicale wervelkolom vast kon stellen een belangrijke rol.

Ik stelde dat er thans geen criteria waren betrokkene beperkingen op te leggen vanuit mijn vakgebied. Of hier in het verleden door ongeval-gerelateerde factoren wel sprake van was is thans niet meer door mij vast te stellen. Over het algemeen kan echter gesteld worden dat er direct na een ongeval zoals dat betrokkene in 2001 overkwam, sprake is van enkele maanden persisterende beperkingen. (…)”

2.11.

[ged.conv./eis.reconv.] was vanaf juni 2000 tot en met juni 2001 werkzaam in de functie van internationaal salesmanager bij Elsevier. In juni 2001 werd zijn tijdelijke contract bij Elsevier niet verlengd en ging [ged.conv./eis.reconv.] ziek uit dienst, waarna hij uitkeringen ontving tot augustus 2001. Van september 2001 tot en met april 2002 was [ged.conv./eis.reconv.] werkzaam bij Precom in de functie acquisitie. Daarnaast volgde hij een opleiding tot counselor en coach. In de periode mei 2002 tot en met 21 mei 2003 ontving [ged.conv./eis.reconv.] achtereenvolgens een WW-uitkering, een Ziektewetuitkering en een WW-uitkering. Ten tijde van het ongeval ontving [ged.conv./eis.reconv.] een Ziektewetuitkering. In een aantekening van 8 december 2008 van het huisartsenjournaal staat, voor zover hier relevant:

“gesprek over hoe en wat. werkt nu weer 36 uur, gaat goed (…)”

2.12.

[ged.conv./eis.reconv.] heeft een aantal stuitingsbrieven verzonden, voor het laatst op 17 augustus 2018.

2.13.

Allianz c.s. heeft tot op heden in totaal € 12.500,00 aan voorschotten en € 11.550,24 aan buitengerechtelijke kosten betaald aan [ged.conv./eis.reconv.] . Ondanks een gesprek tussen partijen in 2021 en diverse financiële aanbiedingen die Allianz – zonder (verdere) erkenning van aansprakelijkheid – heeft gedaan, voor het laatst in 2022, komen partijen niet tot een regeling.

3Het geschil

in conventie

3.1.

Allianz c.s. vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, verklaart voor recht dat Allianz c.s. ter zake het ongeval van 1 november 2002 met de door haar gedane betalingen finaal van al haar verplichtingen jegens [ged.conv./eis.reconv.] gekweten is, en [ged.conv./eis.reconv.] veroordeelt in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Allianz c.s. betwist dat [ged.conv./eis.reconv.] heeft aangetoond dat hij alle door hem gestelde klachten daadwerkelijk heeft en dat deze het gevolg zijn van het ongeval. Indien wordt aangenomen dat [ged.conv./eis.reconv.] wel klachten heeft door het ongeval, dan heeft [ged.conv./eis.reconv.] niet aangetoond dat hij als gevolg hiervan beperkingen heeft waardoor hij huishoudelijke hulpbehoefte heeft en deels arbeidsongeschikt is, aangezien het UWV hem volledig arbeidsgeschikt acht. Allianz c.s. heeft vele pogingen gedaan om de zaak met [ged.conv./eis.reconv.] af te wikkelen, maar [ged.conv./eis.reconv.] heeft alle voorstellen afgewezen en begroot met nauwelijks enige onderbouwing zijn – door Allianz c.s. betwiste – schade op ruim € 600.000,00. Allianz c.s. ziet daarom geen andere mogelijkheid om de zaak af te wikkelen dan door de gevraagde verklaring voor recht.

3.3.

[ged.conv./eis.reconv.] stelt dat zijn schade door het ongeval nog niet volledig is voldaan met de door Allianz c.s. betaalde voorschotten, zodat alleen al daarom de gevraagde verklaring voor recht moet worden afgewezen. Zijn fysieke en psychische klachten en beperkingen als gevolg van het ongeval zijn aangetoond met het rapport van [deskundige 1] en de overgelegde (medische) informatie. Dat er geen medisch aantoonbare verklaring is voor zijn klachten staat niet in de weg aan het aannemen van juridische causaliteit. De schade door het ongeval bestaat uit verlies aan arbeidsvermogen, medische kosten, kosten voor huishoudelijke hulp, verlies zelfwerkzaamheden, smartengeld, buitengerechtelijke kosten, tevergeefs gemaakte kosten voor een opleiding die [ged.conv./eis.reconv.] niet kon voltooien door het ongeval en een vergoeding voor de tijdsbesteding van [ged.conv./eis.reconv.] aan de letselzaak.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

[ged.conv./eis.reconv.] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Allianz c.s. veroordeelt tot vergoeding van de schade die [ged.conv./eis.reconv.] lijdt door het ongeval van 1 november 2002, nader op te maken bij staat,

Allianz c.s. veroordeelt tot betaling van een voorschot van € 50.000,00 aan [ged.conv./eis.reconv.] ,

Allianz c.s. veroordeelt in de proceskosten in conventie en reconventie en in de nakosten.

3.6.

[ged.conv./eis.reconv.] baseert zijn vorderingen – kort gezegd – daarop dat hij door het ongeval substantiële schade lijdt die een veelvoud is van wat Allianz c.s. tot nu toe heeft betaald. Het vaststellen van de exacte schadehoogte moet plaatsvinden na nader (deskundigen)onderzoek, reden waarom verwijzing naar de schadestaat wordt gevorderd. Hoewel zijn schade beduidend hoger is, volstaat [ged.conv./eis.reconv.] met het vorderen van een voorschot van € 50.000,00.

3.7.

Allianz c.s. voert aan dat de vorderingen in reconventie moeten worden afgewezen en baseert haar verweer op hetgeen ze heeft aangevoerd in conventie. [ged.conv./eis.reconv.] heeft in deze procedure niet gesteld welke fysieke en psychische klachten en beperkingen hij heeft (gehad) als gevolg van het ongeval. Verder is de vergoedingsplicht van Allianz c.s. op grond van artikel 8:983 BW in ieder geval gelimiteerd tot € 137.000,00. Allianz c.s. betwist de gestelde schade(omvang) en verzet zich tegen verwijzing naar de schadestaat omdat de schadeomvang in deze procedure kan worden begroot. Het gevorderde voorschot moet worden afgewezen omdat [ged.conv./eis.reconv.] niet heeft aangetoond dat hij € 50.000,00 aan schade lijdt, althans meer schade lijdt dan al is vergoed, aldus Allianz c.s.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

De vorderingen in conventie en in reconventie hangen met elkaar samen. Daarom worden zij hierna gezamenlijk beoordeeld.

4.2.

De rechtbank moet in deze zaak vaststellen wat de gevolgen zijn van het ongeval dat [ged.conv./eis.reconv.] op 1 november 2002 is overkomen in de bus van Connexxion en waarvoor Allianz c.s. aansprakelijkheid heeft erkend. De kern van het geschil is of Allianz c.s. is gehouden tot betaling van een hoger bedrag aan schadevergoeding aan [ged.conv./eis.reconv.] dan hetgeen ze reeds heeft betaald. Tussen partijen is niet in geschil dat Allianz c.s. in ieder geval gehouden was om [ged.conv./eis.reconv.] een bedrag te betalen ter hoogte van de reeds betaalde voorschotten (van € 12.500,00 en € 11.550,24) zodat de rechtbank hiervan uitgaat. Daarmee ligt (uitsluitend) ter beoordeling voor of Allianz c.s. bovenop deze bedragen nog meer is verschuldigd aan [ged.conv./eis.reconv.] .

Het bestaan van de klachten, causaal verband en beperkingen

4.3.

Partijen verschillen van inzicht over de vraag of [ged.conv./eis.reconv.] aan het ongeval klachten en beperkingen heeft overgehouden en of hierdoor schade is ontstaan. De rechtbank stelt in dit kader het volgende voorop (vgl. gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 oktober 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:10024):

Zoals Allianz c.s. terecht stelt, is het aan [ged.conv./eis.reconv.] als benadeelde om te stellen en, bij gemotiveerde betwisting, te bewijzen dat hij aan gezondheidsklachten lijdt. Het enkele feit dat het klachten betreft die naar hun aard subjectief zijn, betekent niet dat het bewijs ervan niet geleverd kan worden. Wanneer kan worden vastgesteld dat het klachtenpatroon plausibel is (wat doorgaans het geval zal zijn bij een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten), kan van het bestaan van dergelijke subjectieve klachten worden uitgegaan;

Indien de benadeelde heeft aangetoond dat zijn subjectieve gezondheidsklachten in de hiervoor bedoelde betekenis bestaan, mogen aan het bewijs van het oorzakelijk verband tussen het ongeval en deze klachten geen al te hoge eisen worden gesteld, in die zin dat het ontbreken van een specifieke, medisch aantoonbare verklaring voor de klachten niet in de weg staat aan het oordeel dat het bewijs van het oorzakelijk verband geleverd is (Hoge Raad 8 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2054). Als komt vast te staan dat de benadeelde voorafgaand aan het ongeval deze gezondheidsklachten niet had, de gezondheidsklachten op zich door het ongeval veroorzaakt kunnen worden en een alternatieve verklaring voor de gezondheidsklachten ontbreekt, zal het bewijs van oorzakelijk verband daarmee veelal geleverd zijn;

Indien het causaal verband tussen de subjectieve gezondheidsklachten en het ongeval is vastgesteld, dient te worden beoordeeld of deze gezondheidsklachten ook tot beperkingen leiden. Het gaat bij de beoordeling van de beperkingen niet zozeer om het vaststellen van de meetbare functionele beperkingen van de benadeelde, maar om het vaststellen van de mate van activiteiten en participatie van het slachtoffer. Bij die vaststelling zijn niet alleen de lichaamsfuncties en anatomische eigenschappen relevant, maar dienen ook de persoonlijke en omgevingsfactoren van de benadeelde te worden gewogen. Het enkele feit dat sprake is van subjectieve klachten, waarvoor een neurologisch substraat ontbreekt, staat dan ook nog niet in de weg aan de conclusie dat toch sprake is van beperkingen in de hiervoor weergegeven betekenis.

4.4.

[ged.conv./eis.reconv.] heeft eerst ter zitting verklaard dat zijn klachten door het ongeval bestaan uit ‘de gebruikelijke whiplashklachten’: nekklachten, hoofdpijn, concentratiestoornissen, geheugenklachten, gevoeligheid voor licht en geluid, vermoeidheid, neerslachtigheid, snelle en aanhoudende duizeligheid en traag reageren en denken. Verder heeft [ged.conv./eis.reconv.] ter zitting verklaard dat hij de klachten van aanhoudende duizeligheid alleen de eerste negen à tien jaren na het ongeval ondervond en daarna niet meer en dat de behandelingen die hij heeft ondergaan in de periode na het rapport van [deskundige 1] vooral zijn gericht op behandeling van zijn psychische en cognitieve klachten. [ged.conv./eis.reconv.] verwijst voor onderbouwing van zijn klachten naar de overgelegde (medische) informatie en het rapport van [deskundige 1] .

4.5.

Allianz c.s. bestrijdt dat [ged.conv./eis.reconv.] alle door hem gestelde klachten daadwerkelijk heeft en dat hij heeft aangetoond dat deze het gevolg zijn van het ongeval. Na het mountainbike-ongeval meldde [ged.conv./eis.reconv.] dezelfde klachten en beperkingen als die hij stelt te hebben door het ongeval en volgens Allianz c.s. staat niet vast dat [ged.conv./eis.reconv.] ten tijde van het ongeval geheel klachtenvrij was. Voor wat betreft de gestelde fysieke klachten is het rapport van [deskundige 1] bindend tussen partijen en [deskundige 1] heeft geen medische afwijkingen en beperkingen – waaronder geen postwhiplash syndroom – vastgesteld bij [ged.conv./eis.reconv.] . Naar de psychische klachten is nooit onafhankelijk onderzoek gedaan, maar uit de overgelegde (medische) informatie blijken alternatieve verklaringen voor deze klachten, namelijk een bipolaire stoornis en gemakkelijk ontsporende persoonlijkheidsstructuur van [ged.conv./eis.reconv.] , zijn verstoorde relatie met zijn vader, de hoge werkdruk bij zijn voormalig werkgever Elsevier en door het niet verlengen van zijn contract bij Elsevier in 2001. Deze psychische klachten kunnen ook voor hoofdpijn, vermoeidheid en concentratiestoornissen zorgen, aldus steeds Allianz c.s.

Ad 1. het bestaan van fysieke gezondheidsklachten

4.6.

Beide partijen verwijzen voor onderbouwing van hun standpunten onder meer naar het rapport van [deskundige 1] van 3 juni 2008. De rechtbank constateert dat tussen partijen niet in geschil is dat zij gebonden zijn aan het rapport van [deskundige 1] , maar dat zij verschillen van mening over wat uit het rapport blijkt. Hierover overweegt de rechtbank als volgt.

4.7.

Neuroloog [deskundige 1] heeft onderzoek gedaan naar de door [ged.conv./eis.reconv.] gemelde klachten door het ongeval, die – zo blijkt uit de anamnese in het rapport – bestaan uit (samengevat): houdings- en belastingsafhankelijke episodische nekpijnen, soms gepaard gaande met paresthesieën in de vingers, hoofdpijnen, af en toe optredende duizeligheid en episodisch optredende wat snelle vermoeibaarheid met concentratiestoornissen. [deskundige 1] stelt vast dat er vanuit zijn vakgebied geen aanknopingspunten zijn gevonden voor organische ongeval gerelateerde afwijkingen van het centrale en/of perifere zenuwstelsel waardoor zijn klachten begrepen zouden kunnen worden. Volgens [deskundige 1] zijn er met name geen aanknopingspunten voor het bestaan van een postwhiplash syndroom. Ook schrijft [deskundige 1] (onder vraag g) dat hij vanuit zijn vakgebied de persisterende klachten van [ged.conv./eis.reconv.] niet kan verklaren en dat hij vanuit zijn vakgebied dan ook geen functieverlies (impairment) kan vaststellen. Onder vraag f schrijft [deskundige 1] dat hij een aanvullend psychiatrisch onderzoek aangewezen acht, omdat hij een psychische oorzaak van de klachten niet uitsluit, gezien de vanuit de behandelende sector beschreven bipolaire stoornis dan wel psychotische en gemakkelijk ontsporende persoonlijkheidsstructuur van [ged.conv./eis.reconv.] , en ook gezien de verstoorde relatie van [ged.conv./eis.reconv.] met zijn vader alsmede de procedure over eventuele arbeidsgeschiktheid met het UWV.

4.8.

Hieruit volgt dat de door [ged.conv./eis.reconv.] – voor het eerst ter zitting – genoemde klachten niet geheel overeenkomen met de klachten zoals weergegeven in het rapport van [deskundige 1] . In het rapport van [deskundige 1] worden niet vermeld (maar door [ged.conv./eis.reconv.] wel genoemd): geheugenklachten, gevoeligheid voor licht en geluid, neerslachtigheid en traag reageren en denken. Verder blijkt uit het rapport dat [deskundige 1] op zijn vakgebied als gevolg van het ongeval geen afwijkingen – en met name geen post-whiplashsyndroom – en ook geen beperkingen en functieverlies bij [ged.conv./eis.reconv.] heeft kunnen vaststellen, maar een psychische oorzaak voor de door [ged.conv./eis.reconv.] aangegeven persisterende klachten niet kan uitsluiten en daarom een psychiatrisch onderzoek aanraadt.

4.9.

Anders dan [ged.conv./eis.reconv.] ter zitting heeft aangevoerd concludeert [deskundige 1] niet dat geen sprake is van het post-whiplashsyndroom omdat de klachten niet medisch verklaard konden worden. Uit de begeleidende brief bij het rapport blijkt immers dat [deskundige 1] dit kon uitsluiten omdat [ged.conv./eis.reconv.] niet voldeed aan de criteria zoals door zijn beroepsgroep (NVvN) is vereist voor het stellen van deze diagnose (waarbij geen sprake is van een aantoonbare afwijking bij neurologisch onderzoek en hulponderzoek). [deskundige 1] schrijft dat met name het feit dat hij een volstrekt onbeperkte beweeglijkheid over de cervicale wervelkolom vast kon stellen, daarbij een belangrijke rol speelde. Met andere woorden: [deskundige 1] sluit een post-whiplashsyndroom uit vanwege de volstrekt onbeperkte beweeglijkheid van de cervicale wervelkolom van [ged.conv./eis.reconv.] .

4.10.

[ged.conv./eis.reconv.] heeft verder aangevoerd dat – gezien het antwoord op vraag 2a in het rapport en de begeleidende brief bij het rapport – [deskundige 1] zegt dat gezien het tijdstip waarop de klachten opkwamen [deskundige 1] een samenhang met het ongeval niet kan uitsluiten. Voor zover [ged.conv./eis.reconv.] hiermee betoogt dat [deskundige 1] wel klachten en beperkingen heeft vastgesteld, gaat de rechtbank hier niet in mee. Vraag 2a ziet op de hypothetische situatie zonder ongeval en luidt – zo blijkt uit de beschikking van de rechtbank Rotterdam – of er op het vakgebied van [deskundige 1] klachten en afwijkingen zijn die er ook zouden zijn geweest, of op enig moment ook zouden kunnen zijn ontstaan, als het ongeval [ged.conv./eis.reconv.] niet was overkomen. Het antwoord van [deskundige 1] dat er op zijn vakgebied geen klachten en/of afwijkingen aanwezig zijn die er ook geweest zouden (kunnen) zijn als het ongeval [ged.conv./eis.reconv.] niet was overkomen, moet dan worden gelezen in samenhang met hetgeen [deskundige 1] schrijft bij vraag 1d, e, g en h, namelijk dat in de situatie na ongeval er geen afwijkingen en beperkingen zijn op zijn vakgebied. Anders gezegd: de situatie met en zonder ongeval is op neurologisch gebied gelijk, want op neurologisch gebied zijn geen afwijkingen en beperkingen geconstateerd. Het voorgaande wordt niet anders doordat – zoals [ged.conv./eis.reconv.] aanvoert – [deskundige 1] in zijn begeleidende brief schrijft dat gezien de geïnventariseerde medische voorgeschiedenis op medisch gebied voorafgaande aan genoemde ongevallen zich hier eigenlijk geen relevante zaken voorgedaan hebben, terwijl de klachten van [ged.conv./eis.reconv.] zich direct in aansluiting aan deze ongevallen ontwikkelden en sindsdien persisteerden, waardoor volgens [deskundige 1] ‘enige samenhang niet te ontkennen lijkt’. Dit ziet immers op klachten die [deskundige 1] niet vanuit zijn eigen vakgebied kan verklaren. Voor zover sprake is van klachten zijn die dus niet door [deskundige 1] zelf vastgesteld, zodat [deskundige 1] ook geen uitspraak kan doen over de samenhang daarvan met het ongeval.

4.11.

[ged.conv./eis.reconv.] heeft ter onderbouwing van zijn klachten door het ongeval tevens gewezen op de volgende overgelegde (medische) informatie:

  1. brieven van de huisarts van [ged.conv./eis.reconv.] en een uitdraai van het huisartsenjournaal over de periode 1998-2007,
  1. een brief van 9 juli 2001 van neuroloog [betrokkene 5] ,
  1. verslagen van 8 oktober 2003 van het Whiplash Instituut Nederland,
  1. het ongedateerde rapport van het Medisch Expertise en Advies Centrum (hierna: MEAC), dat gelet op de data van de consulten eind 2003 of begin 2004 moet zijn opgesteld,
  1. een brief van 11 februari 2004 van GGZ Nijmegen,
  1. een brief van 13 februari 2004 van eerstelijnspsycholoog mw. [betrokkene 6] (hierna: [betrokkene 6] ),
  1. het rapport van onderzoek van 5 maart 2004 van de verzekeringsarts van het UWV,
  1. twee brieven (een ongedateerd en een van 12 juli 2004) van chiropractor [betrokkene 7] (hierna: [betrokkene 7] ),
  1. een brief van 28 december 2004 van zenuwarts [betrokkene 8] (hierna: [betrokkene 8] ),
  1. een brief van 16 februari 2006 van revalidatiearts [betrokkene 10] van Groot Klimmendaal (hierna: [betrokkene 10] ),
  1. een brief van 4 december 2006 van orthomanueel arts [betrokkene 11] ,
  1. een verslag van 30 november 2021 van massagetherapeut/ontwikkelingspsycholoog

[betrokkene 12] (hierna: [betrokkene 12] ),

  1. een uitdraai van het huisartsenjournaal over de periode 2001 tot en met 25 oktober 2021,
  1. een verslag van 20 april 2022 van Brainmed Neurofeedback (hierna: Brainmed),
  1. een verslag van 23 november 2022 van fysiotherapeut/traumatherapeut en

cranio-visceraal therapeut [betrokkene 13] (hierna: [betrokkene 13] ),

  1. een brief van 7 maart 2022 inclusief dossiergegevens van de huisarts,
  1. een medisch advies van 19 december 2022 van de medisch adviseur van [ged.conv./eis.reconv.] (hierna: Triage).

4.12.

De rechtbank kent (voor wat betreft de neurologische en cognitieve klachten) aan het rapport van [deskundige 1] meer waarde toe dan aan de voornoemde overgelegde stukken voor zover die dateren van voor dit rapport en voor zover die daarmee in tegenspraak zijn. De reden hiervoor is dat het rapport van [deskundige 1] met instemming van zowel Allianz c.s. als [ged.conv./eis.reconv.] is opgesteld, waarbij overeenstemming is bereikt over de persoon van de deskundige en de aan de deskundige te stellen vragen, het rapport op correcte wijze tot stand is gekomen ( [ged.conv./eis.reconv.] is onderzocht en partijen zijn in de gelegenheid gesteld op het conceptrapport te reageren), het rapport consistent is, de conclusie van het rapport deugdelijk is onderbouwd en partijen geen steekhoudende bezwaren tegen de inhoud van het rapport hebben ingebracht. Daarbij komt dat uit het rapport van [deskundige 1] blijkt (onder ‘verkregen medische gegevens’) dat [deskundige 1] de hiervoor onder 1 tot en met 11 genoemde stukken heeft ontvangen, en uit zijn antwoord op vraag 1a tot en met 1c (vragen naar de anamnese, de medische voorgeschiedenis en het inzichtelijk maken welke gegevens [deskundige 1] ontleent aan respectievelijk het relaas van [ged.conv./eis.reconv.] en de ter beschikking gestelde medische gegevens) blijkt dat hij deze informatie heeft meegewogen bij het opstellen van zijn rapport. [ged.conv./eis.reconv.] betwist de inhoud van het rapport van [deskundige 1] op zichzelf ook niet. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt daarom niet in te zien waarom de onder 1 tot en met 11 genoemde stukken afbreuk doen aan het rapport van [deskundige 1] . Ten aanzien van de overige stukken geldt het volgende.

4.13.

Het rapport van Brainmed toont niet het bestaan van klachten aan nu hieruit blijkt dat bij [ged.conv./eis.reconv.] (alleen) een hersenmeting (EEG) is verricht, waarna zijn hersenactiviteit is vergeleken met een database van mensen met dezelfde leeftijd zonder klachten (een QEEG) en het rapport hierover vermeldt: ‘QEEG vormt geen vervanging voor neurologisch, psychiatrisch en psychologisch onderzoek en leidt niet tot een diagnose. Wel kan het inzichten opleveren over de relatie tussen hersenen en gedrag en in welke mate uw klachten biologisch verklaard kunnen worden en of neurofeedback training zinvol is bij het realiseren van uw doelstellingen’. Uit het onderzoek komt vervolgens een aantal bevindingen die duidt op ‘een lage mate van efficiënte’. De conclusie is dat het beeld passend is ‘bij de door u gerapporteerde whiplash gerelateerde klachten op het vlak van de geheugenfuncties en de regulatie van de aandachtfuncties. De combinatie van kenmerken kan de door u gerapporteerde verminderde scherpte en mogelijkheid tot ad rem reageren (verbal fluency) verklaren’. Niet gebleken is dat Brainmed zelf onderzoek heeft gedaan naar deze klachten. De rechtbank gaat hier dan ook aan voorbij.

4.14.

[betrokkene 13] schrijft in zijn brief van 23 november 2022 (dus twintig jaar na het ongeval) dat [ged.conv./eis.reconv.] de volgende (cognitieve) klachten heeft: minder scherp, minder goed geheugen, soms ook moeite met het vinden van woorden en zich helder uitdrukken in taal, spanning op het borstgebied en nek en schouderpijn. Met uitzondering van de nekpijn komen deze klachten niet overeen met de klachten die [ged.conv./eis.reconv.] aan [deskundige 1] heeft gemeld in 2008 (zie r.o. 4.7). [betrokkene 13] schrijft verder dat bij lichamelijk onderzoek onder meer opvalt dat er een beperking is van de rotatie naar rechts van de nek en de wervels C5 t/m Th 7, wat in tegenspraak is met de door [deskundige 1] bij zijn onderzoek geconstateerde onbeperkte beweeglijkheid van de cervicale wervelkolom. [betrokkene 13] zag [ged.conv./eis.reconv.] bovendien pas voor het eerst in december 2021, zodat niet duidelijk is wat zijn bevindingen zeggen over de klachten die [ged.conv./eis.reconv.] mogelijk (kort) na het ongeval had. De brief kan daarom niet bijdragen aan de onderbouwing van de door [ged.conv./eis.reconv.] gestelde klachten.

4.15.

Voor wat betreft het overgelegde huisartsendossier geldt dat dit deels informatie is die [deskundige 1] heeft ontvangen en beoordeeld en dat hieruit bovendien blijkt dat [ged.conv./eis.reconv.] zijn huisarts niet heeft bezocht in de periode 2008-2013 en de periode 2014-2021. [ged.conv./eis.reconv.] heeft ter zitting bevestigd sinds het rapport van [deskundige 1] geen onderzoeken of behandelingen meer te hebben ondergaan. Volgens hem wil dat echter niet zeggen dat hij in die periodes klachtenvrij was, maar slechts dat hij in die periodes zijn leven noodgedwongen aanpaste aan zijn beperkingen. Hieruit kan echter, mede gezien de gemotiveerde betwisting door Allianz c.s. en gezien de conclusie van [deskundige 1] dat hij geen klachten en beperkingen vast kon stellen, niet worden afgeleid dat hij in die periode nog wel klachten had. Ook het rapport van Triage, de medisch adviseur van [ged.conv./eis.reconv.] , maakt dit niet anders, aangezien hierin geen klachten worden vastgesteld en dit rapport uitgaat van een andere uitleg van het rapport van [deskundige 1] dan hiervoor onder r.o. 4.8 weergegeven. Ook deze stukken kunnen daarom niet bijdragen aan de onderbouwing van de door [ged.conv./eis.reconv.] gestelde klachten.

4.16.

De conclusie is dat hetgeen [ged.conv./eis.reconv.] heeft gesteld over zijn fysieke gezondheidsklachten onvoldoende wordt onderbouwd door de stukken waarop hij een beroep heeft gedaan. Ter zitting heeft (de advocaat van) [ged.conv./eis.reconv.] verklaard de klachten, die [ged.conv./eis.reconv.] eerst ter zitting naar voren heeft gebracht, niet nader te kunnen onderbouwen nu dit met name gevoelens zijn die [ged.conv./eis.reconv.] ervaart. Mede gelet op het rapport van [deskundige 1] kan ten aanzien van de door hem gestelde fysieke klachten niet worden vastgesteld dat sprake is van een plausibel klachtenpatroon, in die zin dat een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten niet kan worden vastgesteld.

Ad 1. het bestaan van psychische gezondheidsklachten

4.17.

[ged.conv./eis.reconv.] heeft ook gesteld dat hij lijdt aan psychische klachten door het ongeval. Uit de overgelegde (medische) informatie blijkt dat de hulpvraag van [ged.conv./eis.reconv.] aan zijn behandelaars in hoofdzaak zag op het (leren) omgaan met en het behandelen van fysieke en cognitieve klachten. In een aantal van de hiervoor onder r.o. 4.11 opgesomde stukken wordt – naast fysieke klachten – ook melding gemaakt van psychische klachten. De rechtbank overweegt ten aanzien hiervan als volgt.

4.18.

Uit het ongedateerde rapport van het MEAC, de brief van 12 juli 2004 van chiropractor [betrokkene 7] , het rapport van onderzoek van 5 maart 2004 van de verzekeringsarts van het UWV, de brief van 28 december 2004 van zenuwarts [betrokkene 8] en de brief revalidatiearts [betrokkene 10] van 16 februari 2006 blijkt dat [ged.conv./eis.reconv.] zelf meldt dat hij klachten heeft van psychische aard. Het rapport van het MEAC vermeldt dat [ged.conv./eis.reconv.] vooral klachten van psychische aard heeft en dat hij het gevoel heeft dat hem onrecht is aangedaan en gebrek aan steun ervaart van zijn omgeving, vooral van zijn ouders. In het rapport van de verzekeringsarts staat dat [ged.conv./eis.reconv.] zegt nog steeds klachten van de whiplash te hebben, maar daar buiten meer psychische klachten en dat hij inmiddels onder behandeling is van een psycholoog. Onder het tussenkopje ‘diagnose’ staat ‘9 p109 spanningsklacht’. [betrokkene 8] schrijft dat hij ervan heeft afgezien [ged.conv./eis.reconv.] lichamelijk te onderzoeken, dat het gezien het verhaal van [ged.conv./eis.reconv.] aan te nemen is dat sprake is van whiplash graad 2 en hij concludeert dat sprake is van een post-whiplashbeeld, dat de klachten van [ged.conv./eis.reconv.] daarbij passen, ook het aanhouden van de klachten. De klachten zijn volgens [betrokkene 8] reëel en congruent, niet alleen in fysieke zin, maar ook in mentale en emotionele zin. Revalidatiearts [betrokkene 10] benoemt niet expliciet psychische klachten, maar schrijft over een sombere stemming die is verbeterd na het traject bij Groot Klimmendaal: ‘Hoofdproblemen die in eerste instantie zijn benoemd zijn: beperkte fysieke belastbaarheid, pijnklachten nek en hoofdpijn, lichte neuropsychologische stoornissen, bewegingsangst en niet werken. Tot op heden is interdisciplinair winst geboekt op alle gebieden. Fysieke belastbaarheid is verhoogd, in de thuissituatie kan patiënt meer doen en recent is hij met twee kleine dagdelen gestart met werk. De stemming is aan het verbeteren, minder somberheid’. Chiropractor [betrokkene 7] spreekt ook niet expliciet over psychische klachten, maar noemt dat [ged.conv./eis.reconv.] op 16 juni 2003 (naast fysieke klachten) klachten aangaf van ‘emotionele gevoeligheid’.

4.19.

Uit voornoemde stukken blijkt dan ook uitsluitend dat [ged.conv./eis.reconv.] in 2003, 2004 en 2006 zelf zegt dat hij klachten heeft, maar wordt niet beschreven waaruit de psychische klachten zouden bestaan en [ged.conv./eis.reconv.] wordt bij geen van deze behandelaars voor psychische klachten behandeld. Uit de brief van [betrokkene 8] en het rapport van de verzekeringsarts blijkt ook expliciet dat deze artsen [ged.conv./eis.reconv.] niet zelf hebben onderzocht, waaruit de rechtbank concludeert dat de conclusie respectievelijk diagnose van deze artsen volledig is gebaseerd op hetgeen [ged.conv./eis.reconv.] zelf meldt over zijn klachten. Dat [ged.conv./eis.reconv.] zelf klachten ervaart, is echter niet voldoende. De stukken dragen dan ook niet bij aan de onderbouwing van de door [ged.conv./eis.reconv.] gestelde psychische klachten.

4.20.

De enige behandelaren die door [ged.conv./eis.reconv.] zijn bezocht voor specifiek psychische klachten zijn, voor zover die blijken uit de overgelegde stukken, [betrokkene 6] en [betrokkene 12] . In de brief van 13 februari 2004 van psycholoog [betrokkene 6] staat – zakelijk weergegeven – dat de hulpvraag van [ged.conv./eis.reconv.] heeft te maken met restverschijnselen vanwege de whiplash waardoor hij niet kan werken, dat [ged.conv./eis.reconv.] een conflict heeft met het UWV en stress ervaart vanwege een verstoorde relatie met zijn ouders en vanwege werk gerelateerde problemen, dat uit een door [ged.conv./eis.reconv.] ingevulde persoonlijkheidsvragenlijst en psychodiagnostisch onderzoek blijkt dat de whiplash zeker een rol speelt bij zijn klachten, maar dat dit niet het enige is. [betrokkene 6] schrijft: ‘Patiënt heeft een kwetsbare ego-structuur en een gebrekkige realiteitstoetsing. Hij is sensitief en overgevoelig in contact met anderen. Periodes van wanhoop, woede en verdriet worden afgewisseld door periodes waarin hij vleugels lijkt te hebben. Er zou sprake zou kunnen zijn van een bipolaire stoornis’. [ged.conv./eis.reconv.] heeft in zijn correspondentie met Allianz c.s. en in zijn processtukken de bevindingen van [betrokkene 6] – met name ten aanzien van de opmerking over een bipolaire stoornis – weersproken, waarbij hij heeft aangegeven dat [betrokkene 6] niet bevoegd was om die diagnose te stellen en dat de ‘baas van [betrokkene 6] ’, de heer [betrokkene 14] , die heeft gerectificeerd. Ter onderbouwing hiervan heeft [ged.conv./eis.reconv.] gewezen op de notitie van 4 maart 2004 uit het huisartsenjournaal waarin staat: ‘Contact gehad met [betrokkene 14] : kan bipolaire stoornis niet aantonen, vindt het meer psychotische pers structuur die gemakkelijk ontspoort, maar JW [ [ged.conv./eis.reconv.] , toevoeging rechtbank] is daarvoor zelf niet toegankelijk. Probeert structurerend te begeleiden’ en de notitie van 19 maart 2004 uit het huisartsenjournaal waarin staat: ‘overleg met J. [betrokkene 14] : aan hem doorgebeld dat er geen reden is om aan bipolaire stoornis te denken, wel persoonlijkheid die snel ontspoort. Kan met terugwerkende kracht weinig over juni 2003 zeggen’. Aldus wordt door [betrokkene 6] in de brief geen diagnose gesteld maar wordt slechts een mogelijke diagnose geopperd, die [ged.conv./eis.reconv.] zelf bovendien weerspreekt, en kan uit de brief ook niet worden opgemaakt voor welke psychische klachten [ged.conv./eis.reconv.] zou zijn behandeld. De brief van [betrokkene 6] kan dan ook niet bijdragen aan de onderbouwing van de door [ged.conv./eis.reconv.] gestelde psychische klachten.

4.21.

Over het verslag van 30 november 2021 van massagetherapeut/ontwikkelings-psycholoog [betrokkene 12] geeft [ged.conv./eis.reconv.] zelf aan dat dit verslag gaat over de behandelingen tussen oktober 2020 en november 2021 vanwege nooit verdwenen whiplashklachten en vanwege veel stress door verloop van de schadeafwikkeling. Uit het verslag blijkt – zakelijk weergegeven – dat [ged.conv./eis.reconv.] zit met onverwerkt verdriet en onverwerkte woede. In het verslag staat dat [ged.conv./eis.reconv.] ‘iets zoekt waarbij hij meer in zijn lichaam kan zakken en gaan voelen, in plaats van over dingen die hij heeft meegemaakt te blijven denken. Hij zou graag meer ontspanning en rust ervaren, meer veerkracht. Er zijn veel dingen die voor spanning hebben gezorgd en nog steeds zorgen’, ‘van het tweede ongeluk is de schadeverzekeringszaak nog niet afgerond. Ook dat zorgt voor veel psychische spanning en het gevoel onrechtvaardig behandeld te worden’ en ‘op het moment dat [ged.conv./eis.reconv.] naar de praktijk komt, ervaart hij veel spanning in zijn lijf, met name achter en onder het borstbeen. [ged.conv./eis.reconv.] heeft moeite verbinding te maken met wat hij ervaart en welke emoties of gevoelens hij opmerkt bij zichzelf. Vaak komt er melancholie of woede of verdriet naar boven’. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat [ged.conv./eis.reconv.] – twintig jaar na het ongeval – bij [betrokkene 12] in behandeling was wegens spanning en stress die zijn oorzaak heeft in de schadeafwikkeling. Concrete klachten kunnen hieruit echter niet worden afgeleid. [ged.conv./eis.reconv.] heeft er ter zitting nog op gewezen dat [betrokkene 12] hem zou hebben doorverwezen naar traumatherapeut [betrokkene 13] , die volgens zijn opgave kennelijk tevens fysiotherapeut is. Uit de brief van [betrokkene 13] blijken echter geen psychische klachten. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan voormeld verslag c.q. brief.

4.22.

Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet aan welke psychische klachten [ged.conv./eis.reconv.] heeft geleden na het ongeval, hoe lang deze hebben geduurd, of hij hier nog steeds aan lijdt en of een diagnose daarvoor kan worden gesteld. Er is geen onafhankelijk onderzoek gedaan naar de psychische klachten van [ged.conv./eis.reconv.] , althans daarvan zijn door [ged.conv./eis.reconv.] geen stukken overgelegd. Dit had gezien de betwisting van Allianz c.s. van de gestelde klachten wel op zijn weg gelegen. Het gevolg dat hier geen inzicht in bestaat, komt voor rekening en risico van [ged.conv./eis.reconv.] .

4.23.

Het voorgaande geldt temeer nu uit de beschikking van 14 december 2007 van de rechtbank Rotterdam (productie 30 bij dagvaarding) blijkt dat [ged.conv./eis.reconv.] de rechtbank had verzocht om zowel een neurologische expertise als een psychiatrische expertise en dat op verzoek van partijen de benoeming van een psychiater door de rechtbank is aangehouden in afwachting van het rapport van [deskundige 1] . [deskundige 1] stelt in zijn rapport geen klachten en beperkingen vast op psychiatrisch gebied – dit is ook niet zijn vakgebied – maar geeft wel aan dat hij een psychiatrisch onderzoek aangewezen acht. Uit de door Allianz c.s. overgelegde correspondentie (van 11 juli 2011) en een telefoonnotitie van de medisch adviseur van Allianz c.s. (producties 36 en 37 bij dagvaarding), blijkt dat partijen ook hebben overlegd over een psychiatrische expertise en blijkbaar overeenstemming hadden over de persoon van de deskundige, waarna volgens Allianz c.s. [ged.conv./eis.reconv.] vervolgens niet meer wilde meewerken aan een psychiatrische expertise. Dit is door [ged.conv./eis.reconv.] niet weersproken. Medewerking aan een psychiatrische expertise had echter wel op zijn weg gelegen gelet op de aanbeveling van [deskundige 1] en gezien de stelling van [ged.conv./eis.reconv.] (en de op hem rustende bewijslast) dat hij psychische klachten heeft na het ongeval. Dit klemt temeer omdat [ged.conv./eis.reconv.] in een (door Allianz c.s. als productie 47 overgelegde) door hemzelf geschreven schriftelijke verklaring van 8 maart 2022, ook aangeeft dat in het huisartsenjournaal van de periode na het ongeval geen meldingen van psychiatrische diagnoses, -behandelingen en hieraan gerelateerd medicijngebruik staan. Nu ook niet op basis van voornoemde (medische) stukken kan worden geconcludeerd dat sprake is van een consequent en samenhangend patroon van psychische klachten, oordeelt de rechtbank dat [ged.conv./eis.reconv.] onvoldoende heeft gesteld dat sprake is van psychische klachten na het ongeval.

4.24.

[ged.conv./eis.reconv.] heeft nog gewezen op overgelegde verklaringen van personen en bekenden die hem kenden van voor en na het ongeval en stelt dat daaruit blijkt dat hij na het ongeval anders functioneerde. Wat hiervan ook zij, dit maakt het voorgaande niet anders. Ook indien uit deze verklaringen immers zou blijken dat er een breuk was in het functioneren van [ged.conv./eis.reconv.] voor en na het ongeval, dan nog kan niet alleen op basis van die verklaringen worden aangenomen dat [ged.conv./eis.reconv.] klachten had na het ongeval, nu dit niet uit het rapport van [deskundige 1] en uit de overgelegde (medische) informatie blijkt.

Slotsom

4.25.

Op grond van hetgeen [ged.conv./eis.reconv.] in de stukken en ter zitting heeft aangevoerd over de gevolgen die het ongeval voor hem heeft gehad kan de rechtbank zich voorstellen dat het ongeval zelf en de jarenlange nasleep daarvan op hem grote impact hebben gehad. Dit is op zichzelf echter niet voldoende om fysieke of psychische klachten te kunnen vaststellen. Uit het voorgaande volgt dat [ged.conv./eis.reconv.] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat sprake is van een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten na het ongeval. Hiervan uitgaande, wordt aan bewijslevering niet toegekomen. Ook wordt in dit kader niet toegekomen aan een beoordeling van het causaal verband en de beperkingen (stap 2 en 3, zie 4.3).

4.26.

Dit leidt tot de slotsom dat niet kan worden vastgesteld dat Allianz c.s. is gehouden een hoger bedrag aan [ged.conv./eis.reconv.] te vergoeden dan wat zij reeds heeft betaald. De in conventie gevorderde verklaring voor recht zal dan ook worden toegewezen en de vorderingen 1. en 2. in reconventie zullen worden afgewezen. Hetgeen partijen verder hebben aangevoerd kan onbesproken blijven.

Proceskosten, nakosten en wettelijke rente

4.27.

[ged.conv./eis.reconv.] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld. De kosten in conventie waarin [ged.conv./eis.reconv.] zal worden veroordeeld worden aan de zijde van Allianz c.s. begroot op:

explootkosten € 127,43

griffierecht € 676,00

salaris advocaat € 1.794,00 (3 punten x tarief II € 598,00)

totaal € 2.597,43

4.28.

[ged.conv./eis.reconv.] zal eveneens als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. Nu de reconventie in feite spiegelbeeldig is aan de conventie en het verweer van Allianz c.s. daarmee voortvloeit uit hetgeen zij in conventie heeft aangevoerd, wordt het salaris op de helft van de punten gewaardeerd op gelijke voet als de conventie van Allianz c.s. Deze worden aan de zijde van Allianz c.s. begroot op € 897,00 (3 punten x factor 0,5 x tarief II € 598,00) aan salaris advocaat.

4.29.

De gevorderde veroordeling in de nakosten in zowel conventie als reconventie is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

4.30.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en nakosten in zowel conventie als reconventie zal worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

verklaart voor recht dat Allianz en Connexxion ter zake het ongeval van

1 november 2002 met de door hen gedane betalingen finaal van al hun verplichtingen jegens [ged.conv./eis.reconv.] zijn gekweten,

5.2.

veroordeelt [ged.conv./eis.reconv.] in de proceskosten, aan de zijde van Allianz c.s. tot op heden begroot op € 2.597,43, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

in reconventie

5.3.

wijst de vorderingen af,

5.4.

veroordeelt [ged.conv./eis.reconv.] in de proceskosten, aan de zijde van Allianz c.s. tot op heden begroot op € 897,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

in conventie en reconventie

5.5.

veroordeelt [ged.conv./eis.reconv.] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 271,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [ged.conv./eis.reconv.] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 90,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.W.M. Olthof, mr. K. van Vlimmeren-van Ommen en mr. F.M.C. Boesberg en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2023 en in verband met afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen.

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey