Rb, verzekeringsfraude, geen authentieke aanrijding, gedaagden veroordeeld tot vergoeding van schade

Samenvatting:

Gedaagden hebben gesteld dat zij een aanrijding hebben gehad. De verzekeraar heeft na uitkering onderzoeken laten verrichten. Gedaagde 1 zou aan gedaagde 2 op een kruispunt geen voorrang hebben verleend en tegen de auto van gedaagde 2 zijn gereden. Volgens de verklaringen van beide partijen hadden beide partijen hun gordel om ten tijde van de aanrijding en stonden hun auto’s na de aanrijding stil tegen elkaar aan. De verzekeraar heeft onderzoek laten doen naar de gordeldracht tijdens de aanrijding. Uit het onderzoek bleek dat bij één van de auto’s de gordelslotspanners en de linker- zij en hoofdairbag niet zijn geactiveerd tijdens de aanrijding. In vergelijkbaar geval bij een impact zoals gesteld, hadden deze wel geactiveerd moeten worden. Voorts is er geen storing van het airbagsysteem geconstateerd. De verzekeraar stelt dat op basis van de onderzoeken de vermeende aanrijding niet heeft plaatsgevonden op de wijze zoals door gedaagden is geschetst. De rechtbank oordeelt dat de verzekeraar ruim voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die onderbouwen dat gedaagden een aanrijding hebben gefingeerd. Er is geen sprake van een authentieke aanrijding. De verzekeraar vordert daarom onder andere vergoeding van de schade die zij begroot op € 37.936,81 De rechtbank oordeelt dat de vorderingen van de verzekeraar grotendeels worden toegewezen. De rechtbank verklaart voor recht dat gedaagde 1 en 2 geen recht op uitkering toekomt op grond van de verzekeringsovereenkomst. De rechtbank veroordeelt gedaagden hoofdelijk, zodat indien de één betaalt de ander zal zijn bevrijd om aan de verzekeraar een bedrag te betalen van € 33.576,41 te vermeerderen met wettelijke rente, en veroordeelt gedaagden tot vergoeding aan de verzekeraar van de proceskosten.

ECLI:NL:RBOBR:2022:4509

Instantie                            Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak               19-10-2022

Datum publicatie               25-10-2022

Zaaknummer                     C/01/364924 / HA ZA 20-762

Rechtsgebieden                Civiel recht

Bijzondere kenmerken      Bodemzaak

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie                Verzekeringsfraude, geen authentieke aanrijding. Gedaagden veroordeeld tot    vergoeding van schade

Vindplaatsen                     Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

zaaknummer / rolnummer: C/01/364924 / HA ZA 20-762

Vonnis van 19 oktober 2022

in de zaak van

de onderlinge waarborgmaatschappij

ONDERLINGE VERZEKERING MAATSCHAPPIJ ZLM U.A.,

gevestigd te Goes,

eiseres,

advocaat mr. S.E.C. Veldhof te Goes,

tegen

1[gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. L.C.J. Sars te Helmond,

  1. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ZLM, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden.

1Kern van de zaak

1.1.

Deze zaak gaat over verzekeringsfraude. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben gesteld dat zij een aanrijding hebben gehad. ZLM heeft na uitkering van bedragen aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onderzoeken naar de aanrijding laten verrichten. Op basis daarvan stelt ZLM dat de vermeende aanrijding niet heeft plaatsgevonden op de wijze zoals door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is geschetst. Uit de rapportage maakt ZLM op dat sprake is van een niet authentieke aanrijding. ZLM vordert daarom, onder andere, vergoeding van de schade die zij begroot op € 37.936,81.

1.2.

De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen van ZLM grotendeels moeten worden toegewezen. Hieronder licht zij toe hoe zij tot haar oordeel komt.

2De procedure

2.1.

Op 20 januari 2021 is in deze zaak een tussenvonnis gewezen. Daarin staan de stukken opgesomd die tot dan toe zijn ontvangen door de rechtbank. Na het tussenvonnis heeft de rechtbank een akte met producties 28 t/m 30 van ZLM ontvangen. Op 9 september 2022 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft ZLM pleitnotities voorgedragen. Van de mondelinge behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

2.2.

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

3De feiten

3.1.

ZLM is een verzekeringsmaatschappij.

3.2.

[gedaagde 1] had voor zijn auto – een Ford – een WA- en casco verzekering afgesloten bij ZLM.

3.3.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben schade geclaimd bij ZLM in verband met een vermeende aanrijding op 28 januari 2018 om circa 21:30 uur tussen [gedaagde 1] (in zijn Ford) en [gedaagde 2] (in haar auto, een BMW). [gedaagde 1] aan [gedaagde 2] zou op een kruispunt geen voorrang hebben verleend en tegen de auto van [gedaagde 2] zou zijn gereden. Volgens [gedaagde 1] reed hij op dat moment circa 60 km/u en had hij [gedaagde 2] niet gezien. Volgens de verklaring van [gedaagde 2] reed zij hooguit 20 km/u en had zij haar lichten aan. Volgens de verklaringen van partijen hadden zij hun gordel om ten tijde van de aanrijding en stonden de auto’s na de aanrijding stil tegen elkaar aan.

3.4.

Op 29 januari 2018 is de aanrijding aan ZLM gemeld.

3.5.

ZLM heeft aan [gedaagde 1] € 11.185,- voor schade aan de Ford en € 75,- aan smartengeld betaald. Ook heeft ZLM € 206,48 aan bergingskosten vergoed. Aan [gedaagde 2] heeft ZLM € 10.000,- betaald bij wijze van voorschot op letselschade.

3.6.

ZLM heeft een partij, MVOA, onderzoek laten doen naar gordeldracht tijdens de aanrijding.

3.7.

Naar aanleiding daarvan heeft MVOA een rapport, van 26 juli 2018, opgesteld. In dit rapport:

stelt MVOA dat de gordelslotspanners en de linker zij- en hoofdairbag van de BMW niet zijn geactiveerd tijdens de aanrijding,

stelt MVOA, op basis van een vergelijkbaar geval, dat de gordelslotspanners en de linker zij- en hoofdairbag van de BMW hadden moeten worden geactiveerd bij een impact zoals die zich had voorgedaan volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,

constateert MVOA dat in het storingsgeheugen van de BMW geen storing van het airbagsysteem is vermeld,

– vermeldt MVOA dat het airbagsysteem niet geactiveerd is als de auto niet in werking is.

3.8.

MVOA concludeert in het rapport vervolgens als volgt:

“Kortom, de gordelslotspanners (bestuurderszijde en passagier) hadden bij wel gebruik van de gordel, zo ook de linker zij- en hoofdairbag […] tijdens het ontstaan van de schade in de linkerflank van de BMW geactiveerd moeten worden, tenzij het airbagsysteem van de BMW ten tijde van de aanrijding in “rust” was c.q. de airbagregeleenheid van onvoldoende danwel niet van spanning werd voorzien. De laatstgenoemde omstandigheden zijn aan de orde als de motor van de auto niet in werking is en/of de auto “niet op contact staat”.

3.9.

ZLM heeft daarop MVOA opgedragen nader onderzoek te doen naar de aanrijding. In het daarop volgende rapport van 25 september 2018 komt MVOA tot de volgende conclusie:

“In het verlengde van de verklaarde botssnelheden werd door beide bestuurders verklaard dat de voertuigen na de botsing (vrijwel) tegen elkaar aan stonden. Dit kan ook niet kloppen. Immers bij een botssnelheid van 60 km/h en 20 km/h zullen de voertuigen na de botsing nog een bepaalde afstand aan uitloop nodig hebben en niet bij elkaar blijven staan. Ter overtuiging hiervan toon ik hieronder het resultaat van een verkennende simulatie waarbij de Ford (rood) met 60 km/h tegen de flank van de BMW (blauw) botst; snelheid BMW is 20 km/h. Links de onderlinge botspositie zoals dit zou moeten zijn gezien de plaatselijke situatie (ik heb een luchtfoto van het betreffende kruispunt onder de simulatie gelegd). Rechts een beeld van een gesimuleerde botsing met uitloop der voertuigen na de botsing. Dit kan uiteraard qua richting wat variabel zijn, maar de uitloopafstand van met name de Ford moet het ten minste zijn geweest. Ik spreek hierover ten minste omdat ik de Ford vanaf de botsing eerst een reactietijd van 0,6 sec heb gegeven, daarna een maximale remming. Wordt de reactietijd langer gesteld en/of de remkracht minder, dan zal de uitloopafstand langer worden. Hiermee is aldus gezegd, dat de verklaarde snelheden ook niet in overeenstemming zijn met de verklaarde eindposities.

3.10.

Ook concludeert MVOA in het rapport van 25 september 2018 als volgt verwoord:

“Naast het voorgaande spreek ik na bestudering van de […] gemaakte foto’s van de schade aan de Ford mijn twijfel uit over de omstandigheid, dat de Ford onbeschadigd tegen de flank van de BMW is gebotst en of er wel sprake is geweest van één botsing. Wat dat betreft toon ik hieronder een expertisefoto van de BMW met daaronder een foto van het front van de Ford, mét voorbumpercover. Wat opvalt is, dat de schade in het portier van de BMW, buiten de zo te zien witte uitslag van de vernislaag, een relatief grillig beeld c.q. patroon aan krassen en deuken laat zien. Hier zou de linker voorhoek van de kunststof bumpercover verantwoordelijk voor moeten zijn. Kijkend naar deze cover en deze zone linksvoor dan laat deze een relatief egaal patroon zien en is daarmee niet direct “geschikt” voor het direct veroorzaken van de relatief grillige krassen/vegen en deuken. Kortom ik acht deze twee contactvlakken niet bij elkaar passend.”

3.11.

ZLM heeft ook een zogenaamd “Spurfixonderzoek” laten doen. Met dit onderzoek werd nagegaan of er lakresten van de BMW zaten op de Ford. In het rapport (van 18 oktober 2018) wordt als volgt geconcludeerd:

“Door ondergetekende werden met de stereomicroscoop de Spurfix-folies optisch onderzocht. Voor de werkwijze van dit type onderzoek wordt verwezen naar bijlage 1. In bijlage 2 zijn enkele foto’s van het microscopisch onderzoek aan te treffen, alsmede foto’s van de positie van afname van de Spurfix-folies.

Uit deze optische analyse blijkt dat op de afgenomen Spurfix-folies geen lakresten van de BMW zijn aangetroffen. Dat is op zich opmerkelijk te noemen gezien de forse schade aan de BMW. Op de expertisefoto’s van de BMW is goed zichtbaar dat de lak op veel plaatsen zwaar beschadigd is door het contact met het andere voertuig. Lakoverdracht van de BMW op de (in dit geval) Ford was zeker te verwachten.”

3.12.

[gedaagde 2] is op 29 januari 2019 in staat van faillissement verklaard.

3.13.

ZLM heeft [gedaagde 1] en de curator van [gedaagde 2] per brieven van 28 augustus 2019 geconfronteerd met haar conclusie dat de vermeende aanrijding niet plaats had gevonden. ZLM heeft [gedaagde 1] gesommeerd door haar geleden schade te vergoeden. In haar brief aan de curator heeft ZLM een vordering tot vergoeding van schade in het faillissement ingediend.

3.14.

Het faillissement van [gedaagde 2] is op 7 september 2020 bij gebrek aan baten opgeheven.

3.15.

ZLM heeft haar schade begroot op € 37.936,81, bestaande uit de volgende posten:

Omschrijving post: Bedrag:
Betaling aan [gedaagde 1] i.v.m. voertuigschade €11.185,-
Smartengeld [gedaagde 1] € 75,-
Bergingskosten € 206,48
Onderzoekskosten € 7.695,18
Buitengerechtelijke incassokosten € 1.179,31
Indirecte schade door interne werkzaamheden (conform SODA) € 532,-
Voorschot [gedaagde 2] € 10.000,-
Kosten opvragen medische info [gedaagde 2] € 102,13
Arbeidsdeskundigen [gedaagde 2] € 2.217,93
Buitengerechtelijke kosten [gedaagde 2] € 3.000,-
Wettelijke rente vanaf 28 januari 2018 tot 22 september 2020 € 1.743,78
Totaal: € 37.936,81

3.16.

Noch [gedaagde 1] , noch (de curator van) [gedaagde 2] hebben schade van ZLM vergoed.

4De vorderingen van ZLM en de conclusie van [gedaagde 1]

4.1.

ZLM vordert, zakelijk weergegeven, te verklaren voor recht dat:

  1. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen recht op uitkering toekomt op basis van de verzekeringsovereenkomst met ZLM ingevolge de schademelding op 29 januari 2018 aangaande de vermeende aanrijding op 28 januari 2018, en
  2. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door ZLM geleden schade ingevolge de schademelding op 29 januari 2018 aangaande de vermeende aanrijding op 28 januari 2018.

4.2.

ZLM vordert ook, zakelijk weergegeven, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 37.936,81 aan ZLM, vermeerderd met de wettelijke rente, en tot vergoeding van de proceskosten (inclusief nakosten), vermeerderd met de wettelijke rente.

4.3.

Alleen [gedaagde 1] heeft verweer gevoerd. Hij concludeert tot afwijzing van de vorderingen. Tegen [gedaagde 2] wordt verstek verleend. Overeenkomstig artikel 140 lid 3 Rv geldt dit vonnis tegen alle gedaagden als een vonnis op tegenspraak.

4.4.

Hierna, bij de beoordeling, wordt ingegaan op hetgeen ZLM aan haar vorderingen en [gedaagde 1] aan zijn verweer ten grondslag hebben gelegd.

5De beoordeling

5.1.

ZLM legt aan haar vorderingen, onder andere, het volgende ten grondslag. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hebben onrechtmatig gehandeld jegens ZLM. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben bedragen geclaimd op basis van een vermeende aanrijding, maar een aanrijding zoals door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] omschreven heeft niet plaatsgevonden. Dat blijkt uit diverse rapporten. Uit deze rapporten volgt namelijk voor zover thans van belang:

  1. dat er uit de uitgelezen elektronica van de BMW niet blijkt dat de gordelspanners en airbags zijn geactiveerd noch dat er een storing aan was, terwijl zij bij en dergelijke aanrijding hadden moeten zijn geactiveerd,
  2. dat de auto’s, in tegenstelling tot wat partijen hebben verklaard, na de aanrijding niet tegen elkaar aan konden hebben gestaan, gezien de door partijen opgeven snelheden voor botsing,
  3. dat het schadebeeld niet klopt met de wijze waarop de aanrijding volgens [gedaagde 2] en [gedaagde 1] heeft plaatsgevonden, omdat – kortweg – de BMW schade heeft met een grillige vorm en de Ford niet,
  4. dat er geen lakresten van de BMW zaten op de Ford, hetgeen wel het geval had moeten zijn gezien de aanrijding.

Verder is het verhaal van [gedaagde 1] , dat hij de auto van [gedaagde 2] niet heeft gezien, gelet op de overzichtelijke ongevalslocatie ongeloofwaardig, aldus ZLM.

5.2.

[gedaagde 1] heeft op grond van het bepaalde in artikel 7:941 lid 5 BW geen recht op uitkering, aangezien hij onjuiste inlichtingen heeft verschaft. Hij is dan ook gehouden hetgeen aan hem is uitgekeerd terug te betalen.

5.3.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn verder gehouden de schade die ZLM heeft geleden door het onrechtmatige handelen te vergoeden. De schade wordt begroot op € 37.936,81, bestaande uit de in r.o. 3.15 weergegeven posten.

5.4.

[gedaagde 1] betwist bij gebrek aan wetenschap de conclusies van de rapporten. Hij blijft bij zijn eerdere verklaringen.

Volgens hem zijn er andere verklaringen mogelijk waarom de airbags en gordelspanners niet waren geactiveerd dan dat de aanrijding niet heeft plaatsgevonden.

Wat betreft het rapport van MVOA van 25 september 2018 betwist [gedaagde 1] dat daaruit de conclusie kan worden getrokken dat het ongeval zich niet heeft voorgedaan zoals [gedaagde 1] heeft verklaard. Hooguit volgt daaruit slechts dat de door [gedaagde 1] beschreven toedracht minder waarschijnlijk is.

Wat betreft het Spurfixonderzoek wijst [gedaagde 1] erop dat de afwezigheid van lak allerlei redenen kan hebben, mede gezien het tijdsverloop.

[gedaagde 1] betwist dat zijn verklaring – dat hij de auto van [gedaagde 2] niet heeft gezien – ongeloofwaardig is. Niet uitgesloten is dat hij door de impact van het ongeval niet meer precies weet wat er zich heeft afgespeeld. Dat er reden is om te twijfelen aan de goede bedoelingen van [gedaagde 2] , vanwege haar letselschadeclaim, betekent niet dat de verklaring van [gedaagde 1] ongeloofwaardig is.

Het bureau dat het onderzoek heeft laten uitvoeren was niet onafhankelijk, omdat het door ZLM is betaald.

Volgens [gedaagde 1] beschikt hij niet over de financiële middelen om een eigen technisch onderzoek te laten verrichten. Bovendien zou een technisch sporenonderzoek lastig zijn gezien het tijdsverloop.

[gedaagde 1] doet tevens een beroep op rechtsverwerking aan de zijde van ZLM, nu zij door haar aanvankelijke opstelling en de uitbetaling aan partijen de indruk heeft gewekt daar niet meer op terug te zullen komen.

Subsidiair doet [gedaagde 1] een beroep op matiging omdat hij niet beschikt over financiële middelen en hij enkel leeft van een AOW.

5.5.

De rechtbank overweegt als volgt.

5.6.

Op grond van artikel 6:162 lid 1 BW is hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden. Artikel 6:162 lid 2 BW bepaalt dat als onrechtmatige daad onder andere wordt aangemerkt een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.

5.7.

Op grond van de regels van steltplicht en bewijslastverdeling dient ZLM voldoende feiten en omstandigheden die haar vorderingen onderbouwen (en dus dat artikel 6:162 BW van toepassing is).

5.8.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft ZLM ruim voldoende feiten en omstandigheden gesteld die onderbouwen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een aanrijding hebben gefingeerd. ZLM heeft immers drie rapporten overgelegd die vanuit verschillende invalshoeken onderbouwen dat de aanrijding op de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] beschreven wijze niet kan hebben plaatsgevonden. De conclusies uit deze rapporten zijn ook gebaseerd op verschillende feiten (onder andere: het feit dat er uit de uitgelezen elektronica van de BMW niet blijkt dat de gordelspanners en airbags zijn geactiveerd, de schade aan beide auto’s en het feit dat er geen lakresten van de BMW zaten op de Ford).

5.9.

In het licht van ZLM’s uitvoerige onderbouwing van haar stelling (dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] een aanrijding hebben gefingeerd) is de betwisting van [gedaagde 1] onvoldoende. [gedaagde 1] betwist weliswaar dat uit de voertuigelektronica blijkt dat de airbags en gordelspanners niet geactiveerd waren ten tijde van de aanrijding, maar deze betwisting is onvoldoende. [gedaagde 1] betwist niet dat MVOA in staat is voertuigelektronica uit te lezen, noch dat MVOA de voertuigelektronica heeft uitlezen. [gedaagde 1] betwist verder niet de feiten waarop de onderzoekers zich hebben gebaseerd.

5.10.

[gedaagde 1] betwisting van de juistheid van de rapporten komt er verder op neer dat de feiten waaruit volgens de onderzoekers blijkt dat de aanrijding niet heeft plaatsgevonden, niet onderbouwen dat de aanrijding niet heeft plaatsgevonden, omdat voor deze feiten ook een andere verklaring is te geven. Naar het oordeel van de rechtbank is deze betwisting onvoldoende.. Immers, het gaat in deze zaak erom dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] schade claimen naar aanleiding van een tussen hen voorgevallen aanrijding. De feiten en omstandigheden die door ZLM zijn aangevoerd en door [gedaagde 1] onvoldoende worden betwist, duiden erop dat de aanrijding zoals [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben geschetst, niet kan hebben plaatsgevonden. Het is naar het oordeel van de rechtbank dan volstrekt onvoldoende om enkel te wijzen op andere mogelijkheden, nog daargelaten dat [gedaagde 1] niet aangeeft welke andere mogelijkheden er dan zouden kunnen zijn die maken dat de deskundigen tot een bepaald oordeel zouden zijn gekomen.

5.11.

[gedaagde 1] heeft nog aangevoerd dat onderzoeken niet onafhankelijk waren, omdat de onderzoeken door ZLM zijn betaald. Dat laat echter onverlet dat ZLM met deze rapporten haar stelling meer dan voldoende heeft onderbouwd en het op de weg van [gedaagde 1] had gelegen een deugdelijke betwisting te geven zoals hiervoor overwogen. Dat heeft [gedaagde 1] nagelaten.

5.12.

Dat [gedaagde 1] niet over de financiële middelen om een eigen technisch onderzoek te laten verrichten en dat een technisch sporenonderzoek lastig kan zijn gezien het tijdsverloop is geen reden om hogere eisen te stellen aan de stelplicht van ZLM noch om lagere eisen te stellen aan de betwisting door [gedaagde 1] , voor zover [gedaagde 1] heeft bedoeld dat te zeggen.

5.13.

Het beroep van [gedaagde 1] op rechtsverwerking faalt. Om rechtsverwerking te kunnen aannemen is nodig dat de rechthebbende (in casu: ZLM) zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid. Dat ZLM is teruggekomen op haar aanvankelijke aanname dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] naar waarheid hadden verklaard, toen zij signalen opving van fraude, is niet in strijd met de redelijkheid in billijkheid. De reden dat ZLM van haar aanvankelijk aanname moest teruggekomen is immers gelegen in de handelwijze van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , niet in die van ZLM.

5.14.

De conclusie is dan ook dat geen sprake is van een authentieke aanrijding. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hadden dan ook geen recht op uitkering. De gevorderde verklaring van recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen recht op uitkering toekomt zal dan ook worden toegewezen.

5.15.

Verder is het opgeven van onjuiste feiten teneinde een uitkering te krijgen van de verzekering een onrechtmatige daad van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] jegens ZLM. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn op grond van artikel 6:162 lid 1 BW gehouden de schade die ZLM daardoor heeft geleden te vergoeden. De gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door ZLM geleden schade zal dan ook worden toegewezen.

5.16.

Wat betreft de verschillende schadeposten geldt dat bij het vaststellen van de omvang van de te vergoeden schade als beginsel moet worden vooropgesteld, dat ZLM zoveel mogelijk in de toestand wordt gebracht waarin zij zou verkeren indien de onrechtmatige daad achterwege was gebleven1.

5.17.

In het licht hiervan oordeelt de rechtbank over de vorderingen [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling als volgt:

5.17.1.

De vorderingen [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling van € 11.185,- (betaling aan [gedaagde 1] i.v.m. voertuigschade), € 75,- (smartengeld [gedaagde 1] ) en € 206,48 (bergingskosten) zullen worden toegewezen. ZLM heeft deze bedragen aan [gedaagde 1] betaald en zij had dat niet gedaan als [gedaagde 1] geen aanrijding (mede) had gefingeerd.

5.17.2.

De vordering [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling van € 7.695,18 aan onderzoekskosten zal worden toegewezen. In gevolge artikel 6:96 lid 2 sub b BW komen mede voor vergoeding in aanmerking redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. ZLM had dit bedrag niet betaald als [gedaagde 1] geen aanrijding (mede) had gefingeerd.

5.17.3.

De vordering [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling van € 1.179,31 aan buitengerechtelijke incassokosten is niet toewijsbaar. ZLM vordert een bedrag dat is gebaseerd op het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De vordering heeft echter geen betrekking op één van de situaties waarin dit Besluit van toepassing is. De rechtbank zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn daarom toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Aan deze eisen is niet voldaan nu ZLM niet heeft gesteld dat zij daadwerkelijk buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt. Zij heeft slechts verwezen naar een in een brief genoemd bedrag.

5.17.4.

De vordering [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling van € 532,- aan indirecte schade zal worden toegewezen, aangezien ZLM interne kosten moet hebben gehad voor het behandelen van deze zaak. [gedaagde 1] heeft bovendien hiertegen geen zelfstandig verweer gevoerd.

5.17.5.

De vordering [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling van € 10.000,- aan “Voorschot [gedaagde 2] ” zal worden toegewezen. ZLM had dit bedrag niet betaald als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gezamenlijk niet tot verklaringen waren gekomen die uiteindelijk ertoe leiden dat geen sprake kan zijn van een authentieke aanrijding.

5.17.6.

De vordering [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling van € 102,13 aan “kosten opvragen medische info [gedaagde 2] ” en € 2.217,93 aan “Arbeidsdeskundigen [gedaagde 2] ” zullen worden toegewezen. Uit de overgelegde facturen blijkt dat deze posten verband houden met door ZLM gemaakte kosten voor het opvragen van medische informatie over [gedaagde 2] en het laten testen van [gedaagde 2] door een arbeidsdeskundige in verband met haar letselschadevordering. Deze kosten had ZLM niet gemaakt als [gedaagde 1] geen aanrijding (mede) had gefingeerd. Dat deze kosten verband houden met onderzoek naar de gezondheid / arbeidssituatie van [gedaagde 2] (en niet die van [gedaagde 1] ) betekent niet dat [gedaagde 1] deze kosten niet hoeft te vergoeden. Dit kan echter wel een grond zijn voor een grotere bijdrage van [gedaagde 2] in zijn verhouding tot [gedaagde 1] .

5.17.7.

Het gevorderde bedrag van € 3.000,- aan “Buitengerechtelijke incassokosten [gedaagde 2] ” is niet toewijsbaar, nu deze vordering niet is onderbouwd. ZLM heeft niet toegelicht waarom [gedaagde 1] gehouden is dit bedrag te betalen. De door ZLM overgelegde factuur volstaat niet als onderbouwing van de vordering tot betaling van € 3.000,-, nu daarop als toelichting alleen “voorschot PIV” staat.

5.17.8.

De vordering [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling van € 1.743,78 aan “wettelijke rente vanaf 28 januari 2018 tot 22 september 2020” zal worden toegewezen tot een bedrag van € 1.562,69. Uit de door ZLM overgelegde niet betwiste berekening blijkt dat een bedrag van € 181,09 aan vervallen rente is gebaseerd op de niet toe te wijzen “buitengerechtelijke incassokosten” van € 1.179,31 en “Buitengerechtelijke incassokosten [gedaagde 2] ” van € 3.000,-.

5.18.

Het totaal van de hierboven opgesomde toegewezen bedragen komt op € 33.576,41.

5.19.

Voor de vorderingen [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling van genoemde schadeposten geldt het volgende. Op grond van artikel 139 Rv wordt een vordering tegen haar toegewezen “tenzij deze de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt”.

5.19.1.

De post “buitengerechtelijke incassokosten” van € 1.179,31 komt de rechtbank ongegrond voor, nu niet is gesteld dat deze kosten zijn gemaakt.

5.19.2.

De post “Buitengerechtelijke incassokosten [gedaagde 2] ” van € 3.000,- komt de rechtbank ongegrond voor, nu deze vordering niet is onderbouwd.

5.19.3.

Voor het overige komen de gevorderde schadeposten de rechtbank niet ongegrond voor.

5.20.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben, zoals hiervoor toegelicht, een verplichting tot vergoeding van dezelfde schade. Uit artikel 6:102 lid 1 BW volgt dat zij hoofdelijk verbonden zijn.

5.21.

De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen over het toegewezen bedrag.

De proceskosten

5.22.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten worden veroordeeld. Hierbij wordt aangetekend dat alleen [gedaagde 1] wordt veroordeeld in de kosten wegens salaris advocaat die verband houden met de zitting (1 punt x € 721,-), omdat aan [gedaagde 2] verstek is verleend. Dit betekent (1) dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden veroordeeld tot betaling van € 2.865,96 aan proceskosten, bestaande uit € 102,96 aan kosten dagvaarding, € 2.042,- aan griffierecht en € 721,- aan salaris advocaat (1,0 punt x tarief € 721,-) en (2) dat [gedaagde 1] aanvullend wordt veroordeeld tot betaling van € 721,-.

5.23.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in deze procedure toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment kunnen worden begroot, tot maximaal de door ZLM gevorderde bedragen. De nakosten zullen worden toegewezen zoals in de beslissing is vermeld.

5.24.

De wettelijke rente over de proceskosten (inclusief nakosten) wordt toegewezen vanaf de vijftiende dag nadat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] schriftelijk tot betaling van deze kosten zijn aangemaand.

6De beslissing

De rechtbank

6.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen recht op uitkering toekomt op basis van de verzekeringsovereenkomst met ZLM ingevolge de schademelding op 29 januari 2018 aangaande de vermeende aanrijding op 28 januari 2018,

6.2.

verklaart voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door ZLM geleden schade ingevolge de schademelding op 29 januari 2018 aangaande de vermeende aanrijding op 28 januari 2018,

6.3.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan ZLM te betalen een bedrag van € 33.576,41, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 22 september 2020 tot de dag van volledige betaling,

6.4.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot vergoeding aan ZLM van de proceskosten, aan de zijde van ZLM tot op heden begroot op € 2.865,96, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag nadat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] schriftelijk tot betaling van deze kosten zijn aangemaand tot de dag van volledige betaling,

6.5.

veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van € 721,- aan ZLM als bijdrage in het salaris van de advocaat, met de wettelijke rente hierover vanaf de vijftiende dag nadat [gedaagde 1] schriftelijk tot betaling van deze kosten is aangemaand tot de dag van volledige betaling,

6.6.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

6.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

6.8.

wijs het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.A.J.C.M. van den Berg Jeths – van Meerwijk en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2022.2

1Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2013/31.

2type: MR coll:

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey